|
Volgnummer van de kamer 159/B/18 Datum van uitspraak 25 mei 2018 Rolnummer 2017/4282/A Repertoriumnummer 2018/ 6385 |
L 159 / B / 18 AFSCHRIFT |
|
☐ Niet aan te bieden aan de |
|
|
Procedurestukken : Veroordeling bijdrage geïnd 20 € |
NEDERLANDSTALIGE
|
|
VON - EVT |
|
|
Aangeboden op Niet te registreren |
|
[Page 2]
De beslagrechter wijst volgende beschikking in de zaak:
A.R. 2017/4282/A
REPUBLIEK KAZACHSTAN, vertegenwoordigd door haar minister van justitie bij het Ministerie van Justitie, met kantoor te 010000 Astana (Kazachstan), Left Bank, Mangilik El Street 8, House of Ministries 13,
eiseres op derdenverzet,
advocaten: mr. Roel Fransis, mr. Arnaud Nuyts, mr. Hakim Boularbah en mr. Nicolas Angelet, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3,
tegen
STATI Anatolie, wonende te 20 Dragomirna Street, Chisinau, MD-2008, Moldavië,
STATI Gabriel, wonende te 1A Ghioceilor Street, Chisinau, MD-2008, Moldavië,
ASCOM GROUP SA, vennootschap naar vreemd recht, gevestigd te 75 A. Mateevici Street, Chisinau, MD-2009 Moldavië,
TERRA RAF TRANS TRAIDING LTD. ("Terra Raf"), vennootschap naar vreemd recht, gevestigd te 13/1 Line Wall Road, Gibraltar,
verweerders op derdenverzet,
advocaten: mr. Stan Brijs en mr. Charlotte De Muynck, met kantoor te 1000 Brussel, Terhulpsesteenweg 120, WAAR KEUZE VAN WOONPLAATS WORDT GEDAAN,
en:
NATIONALE BANK VAN DE REPUBLIEK KAZACHSTAN, nationale staatsentiteit naar het recht van de Republiek Kazachstan, met zetel te 21 Koktem-31, Almaty, 050040 Kazachstan,
vrijwillig tussenkomende partij,
advocaten: mr. Peter Callens en mr. Ahmed Tayane, met kantoor te 1200 Brussel, Neerveldstraat 101-103,
THE BANK OF NEW YORK MELLON, naamloze vennootschap, met zetel te 1000 Brussel, Montoyerstraat 46 en KBO-nr. 0806.743.159,
[Page 3]
vrijwillig tussenkomende partij,
advocaten: mr. Françoise Lefèvre, mr. Stefaan Loosveld en mr. Liesbeth Truyens, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13.
Bij dagvaarding van 20 november 2017 heeft de Republiek Kazachtstan haar vordering voor de rechtbank gebracht.
Bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie op 28 november 2017, is de Nationale Bank van de Republiek Kazachstan vrijwillig tussengekomen.
Bij verzoekschrift, neergelegd op de griffie op 30 november 2017, is de nv The Bank of New York Mellon vrijwillig tussengekomen.
Bij beschikking van 1 december 2017 zijn, met toepassing van artikel 747 Ger. W., de door partijen overeengekomen conclusietermijnen bekrachtigd en is de rechtsdag bepaald op 2 februari 2018.
Op de openbare terechtzitting van 2 februari 2018 zijn bijkomende conclusietermijnen bepaald en is de rechtsdag bepaald op 27 april 2018.
Op de volgende data zijn conclusies neergelegd op de griffie:
Op 28 november 2017 zijn de stavingstukken van de Nationale Bank van de Republiek Kazachtstan neergelegd op de griffie.
[Page 4]
Op de openbare terechtzitting van 27 april 2018:
Overeenkomstig artikel 748bis Ger. W. houdt de rechtbank enkel rekening met de laatst genomen (synthese)conclusies van de partijen.
De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden toegepast.
1.1. De republiek KAZACHSTAN, hierna aangeduid als KAZACHSTAN, tekent derdenverzet aan tegen de machtigende beschikking van 11 oktober 2017.
Met deze beschikking verleent de beslagrechter toelating aan de heren Anatolie en Gabriel STATI en de vennootschappen naar vreemd recht ASCOM GROUP S.A. en TERRA RAF TRANS TRAIDING LTD. om bewarend derdenbeslag te leggen "op vorderingen en zaken die betrekking hebben op het "spaarfonds"" in handen van de nv THE BANK OF NEW YORK MELLON, hierna afgekort BNYM, tegen KAZACHSTAN, waaronder mede begrepen het Nationaal Fonds van KAZACHSTAN, ten belope van een totaalbedrag van 515.822.966,35 USD in hoofdsom, interesten en kosten en van een bijkomend bedrag van 802.103,24 € aan kosten.
KAZACHSTAN vordert de intrekking van deze beschikking en de opheffing van het bewarend derdenbeslag dat in uitvoering van deze beschikking op 13 oktober 2017 gelegd is.
KAZACHSTAN vraagt ook om de "zaak in voortzetting te plaatsen voor wat betreft enige aspecten die betrekking hebben op de gevolgen van het beslag, in het bijzonder betreffende de aansprakelijkheid van de Stati en/of BNY Mellon als gevolg van het onrechtmatig beslag van de activa, of ondergeschikt, indien de zaak niet voortzetting wordt geplaatst, om zich onbevoegd te verklaren om daarover uitspraak te doen, minstens om de vordering van BNY Mellon (en eventueel de Stati) in dit verband, ongegrond te verklaren".
1.2. BNYM, derde-beslagene, is vrijwillig tussengekomen in deze derdenverzetsprocedure.
[Page 5]
Zij vraagt:
haar akte te verlenen "van de redenen waarom zij de activa op de geld- en effectenrekeningen bij haar Londonse bijkantoor, zoals vermeld in Bijlage I bij haar verklaring als derde-beslagene, heeft bevroren",
te zeggen voor recht dat zij correct uitvoering heeft verleend aan het bewarend derdenbeslag van 13 oktober 2017,
indien het beslag gehandhaafd wordt, te zeggen voor recht dat zij door het naleven van de beschikkingen en vonnissen van de Belgische rechtbanken, bevrijd is ten aanzien van de Nationale Bank van KAZACHSTAN en van KAZACHSTAN.
1.3. De Nationale Bank van KAZACHSTAN, hierna afgekort NBK, is ook vrijwillig tussengekomen in deze derdenverzetsprocedure.
Zij vordert de intrekking of vernietiging van de machtigende beschikking "in zoverre zij van toepassing is op NBK of op tegoeden die door NBK worden aangehouden bij BNYM". Minstens vordert zij de opheffing van het beslag met betrekking tot deze tegoeden omdat zij "niet onder de Beschikking vallen".
Zij besluit verder tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de tussenvorderingen van BNYM.
1.4. De beslagleggers, hierna aangeduid als de partijen STATI, besluiten tot de ongegrondheid van de vorderingen van KAZACHSTAN en de NBK.
Partijen hebben in hun laatste syntheseconclusies de voor de beslechting van het geschil pertinente feiten en zelfs meer feiten en procedurevoorgaanden zeer uitvoerig uiteengezet. De beslagrechter verwijst ernaar.
1. Als eerste middel voert KAZACHSTAN aan dat de Belgische beslagrechter geen rechtsmacht had om de door de partijen STATI gevraagde toelating tot bewarend derdenbeslag te verlenen.
Twee argumenten haalt KAZACHSTAN hiervoor aan :
vooreerst, in hoofdorde : de specifieke territorialiteitsvereisten van de artikelen 1412quater en 1412quinquies Ger.W. zijn niet vervuld,
vervolgens, in ondergeschikte orde : de gemeenrechtelijke territorialiteitsvereisten zijn niet vervuld.
[Page 6]
2. De partijen STATI betwisten dit. De Belgische beslagrechter had en heeft volgens hen wel degelijk rechtsmacht om de gewraakte toelating te verlenen.
3. De partijen STATI hebben, in toepassing van artikel 1412quinquies, §2, Ger.W.1, aan de Belgische beslagrechter toelating gevraagd om bewarend beslag te leggen op eigendommen van KAZACHSTAN in handen van de Belgische vennootschap BNYM. Welke eigendommen ? De vorderingen en zaken die betrekking hebben op het "spaarfonds" van het Nationaal Fonds van KAZACHSTAN, dat een onderdeel is van KAZACHSTAN.
1 art. 1412quinquies : ↩
§ 1
Onder voorbehoud van de toepassing van dwingende supranationale en internationale bepalingen, zijn de eigendommen van een buitenlandse mogendheid die zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met inbegrip van banktegoeden die daar door die buitenlandse mogendheid worden aangehouden of beheerd, met name bij de uitoefening van de taken van diplomatieke vertegenwoordigingen van de buitenlandse mogendheid of haar consulaire posten, haar speciale zendingen, haar vertegenwoordigingen bij internationale organisaties of delegaties bij organen van internationale organisaties of bij internationale conferenties, niet vatbaar voor beslag.
§ 2
In afwijking van paragraaf 1 kan de schuldeiser die beschikt over een uitvoerbare titel of authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, bij een verzoekschrift aan de beslagrechter toelating vragen om beslag te leggen op de in paragraaf 1 bedoelde eigendommen van een buitenlandse mogendheid indien hij aantoont dat voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:
1°
indien de buitenlandse mogendheid op uitdrukkelijke en specifieke wijze heeft ingestemd met de beslagbaarheid van die eigendom;
2°
indien de buitenlandse mogendheid die eigendommen heeft gereserveerd of aangewezen ter voldoening van de vordering die onderwerp is van de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag;
3°
indien vastgesteld is dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt.
§ 3
De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid zelf, maar van een deelgebied van die buitenlandse mogendheid, zelfs wanneer dit niet over internationale rechtspersoonlijkheid beschikt, van een geleding van die buitenlandse mogendheid in de zin van artikel 1412ter, § 3, tweede lid, of van een territoriaal gedecentraliseerd bestuur of elke andere politieke opdeling van die buitenlandse mogendheid.
De in paragraaf 1 bedoelde immuniteit en de in paragraaf 2 bedoelde uitzonderingen op die immuniteit zijn eveneens van toepassing op de in die paragrafen bedoelde eigendommen indien zij niet het eigendom zijn van een buitenlandse mogendheid, maar van een publiekrechtelijke supranationale of internationale organisatie die ze gebruikt of beoogt te gebruiken voor aan niet-commerciële overheidsdoelen analoge doelen.
[Page 7]
Op grond van deze wetsbepaling vervat in artikel 1412quinquies Ger.W. hebben zij de gevraagde toelating bekomen.
Artikel 1412quater Ger.W., waarnaar KAZACHSTAN en haar Nationale Bank herhaaldelijk verwijzen en waarop zij verschillende middelen steunen, is hier niet van toepassing. Dit artikel biedt, eenvoudig samengevat, aan de schuldeiser de mogelijkheid om beslag te leggen op tegoeden van buitenlandse centrale banken. De partijen STATI hebben met hun oorspronkelijk verzoekschrift van 29 september 2017 aan de beslagrechter niet gevraagd om beslag te mogen leggen op tegoeden van NBK.
De enige toepasselijke wettelijke grondslag voor de gevraagde en bekomen toelating is dus terug te vinden in artikel 1412quinquies Ger.W., niet in artikel 1412quater Ger.W..
4. De vraag die hier ter discussie staat is niet zozeer of de Belgische beslagrechter rechtsmacht heeft als wel of hij territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van een verzoek tot toelating om bewarend beslag te leggen tegen een buitenlandse staat in handen van een Belgische vennootschap.
Dat een rechter mag oordelen over dergelijk verzoek staat buiten kijf. De vraag is of de Belgische beslagrechter territoriaal bevoegd is.
5. Artikel 1412quinquies Ger. W. bevat geen specifieke territoriale bevoegdheidsregel. Bijgevolg zijn de gewone territoriale bevoegdheidsregels voor de beslagrechter vervat in artikel 633 Ger.W. van toepassing.
Luidens artikel 633, §1, Ger.W. is inzake derdenbeslag de beslagrechter van de woonplaats van de beslagen schuldenaar bevoegd, tenzij deze woonplaats zich in het buitenland bevindt of onbekend is. Dan is de beslagrechter "van de plaats van de tenuitvoerlegging van het beslag" bevoegd. Bij een derdenbeslag is dit de plaats waar de derde-beslagene zijn woonplaats of, indien de derde-beslagene een rechtspersoon is, zijn zetel heeft.
Er bestaat geen betwisting over dat de derde-beslagene haar zetel in België, meer bepaald in Brussel, heeft. Bijgevolg was de Brusselse beslagrechter territoriaal bevoegd om van het verzoek van de partijen STATI kennis te nemen.
1. Vervolgens voert KAZACHSTAN aan dat de Belgische beslagrechter het gevraagde beslag niet kon toestaan omwille van de strijdigheid ervan met het Engels recht.
Zij haalt twee gronden van Engels recht aan die het toegelaten beslag schendt, met name :
enerzijds: de derde-beslagene heeft geen verplichting ten aanzien van KAZACHSTAN, en
anderzijds: de geld- en effectenrekeningen aangehouden door haar Nationale Bank bij het Londense bijkantoor van de derde-beslagene genieten uitvoeringsimmuniteit.
2. De partijen STATI repliceren hierop dat de Belgische beslagrechter niet het Engels maar het Belgisch recht moet toepassen.
[Page 8]
3. KAZACHSTAN tekent derdenverzet aan tegen de toelating tot bewarend derdenbeslag die de partijen STATI op 11 oktober 2017 bekomen hebben. Deze toelating had volgens haar niet mogen verleend worden. Zij vordert de intrekking van die toelating en de opheffing van het beslag.
Het Engels recht, waarmee de beslagrechter destijds bij de beoordeling van het eenzijdig verzoek van de partijen STATI en heden bij de beoordeling van het derdenverzet van KAZACHSTAN, volgens deze laatste moet rekening houden en op grond waarvan hij heden de verleende toelating moet intrekken, betreft het materieel recht dat de contractuele relatie tussen de derde-beslagene en de NBK beheerst.
Onmiddellijk merkt de beslagrechter op dat hij aan de partijen STATI, ingaand op hun verzoek, toelating verleend heeft om beslag te leggen tegen KAZACHSTAN. Zij hebben niet gevraagd om beslag te mogen leggen tegen de NBK. Dergelijke ultra petita-toelating is ook niet uitgesproken.
Maar zelfs in de veronderstelling dat ook het Engels recht de contractuele relatie tussen de derde-beslagene en de beslagene beheerst, is dit buitenlands materieel recht niet het recht dat de Belgische beslagrechter destijds bij de beoordeling van het eenzijdig verzoek en heden bij de beoordeling van het derdenverzet moet toepassen.
Ook voor de beoordeling van de regel- en rechtmatigheid van een derdenbeslag in België met een internationale dimensie, zoals in casu tegen een buitenlandse staat, zal de Belgische beslagrechter zijn nationaal Belgisch recht toepassen, zoals in casu vervat in het toepasselijke artikel 1412quinquies Ger.W..
De eigen lex fori van de nationale rechter aan wie het beslag gevraagd wordt, bepaalt onder meer wat voor beslag vatbaar is, in welke mate of onder welke voorwaarden. Deze toepassing van de lex fori op het beslag is de eenvoudige vertaling van het territorialiteitsbeginsel.2
1. Als derde middel voert KAZACHSTAN aan dat er niet voldaan is aan de gemeenrechtelijke voorwaarden voor een bewarend beslag, noch deze van de urgentie, noch deze van de kwaliteiten die de schuldvordering moet bezitten. Zij voegt eraan toe dat de partijen STATI hun informatieverplichting tijdens de eenzijdige procedure niet nageleefd hebben en ook om die reden het beslag moet opgeheven worden.
2. De partijen STATI wijzen er vooreerst op dat zij om een toelating tot bewarend beslag hebben verzocht in toepassing van artikel 1412quinquies Ger.W. en niet van de 'gebruikelijke' artikelen 1413 en 1447 Ger.W..
Hoe dan ook waren en zijn nog steeds de gemeenrechtelijke voorwaarden voor een bewarend beslag volgens hen vervuld.
Zij ontkennen ten slotte de beslagrechter in de eenzijdige procedure "misleid" te hebben.
2 J. ERAUW, "De problemen van grensoverschrijding voor executiemaatregelen in Europa" in G. DE LEVAL en M. STORME, Het Europees gerechtelijk recht en procesrecht, Brugge, Die Keure, 2003, 489. ↩
[Page 9]
3. De partijen STATI hebben inderdaad om een specifieke toelating tot het leggen van bewarend beslag verzocht, met name in toepassing van artikel 1412quinquies, §2, Ger.W.. Deze bepaling somt drie mogelijke voorwaarden op die elk afzonderlijk aan een schuldeiser de mogelijkheid bieden om, in afwijking van de principiële onbeslagbaarheid voorzien in § 1, de toelating te bekomen tot het leggen van beslag op eigendommen van een buitenlandse staat.
Deze voorwaarden voegen zich toe aan de basisvoorwaarden die voor ieder bewarend beslag moeten vervuld zijn. Het zijn bijkomende voorwaarden.
Aan de basisvoorwaarden van het bewarend beslag moest en moet nog steeds dus voldaan zijn.
De partijen STATI hebben de vervulling van deze basisvoorwaarden overigens ook gemotiveerd in hun oorspronkelijk verzoekschrift.
4. De eerste basisvoorwaarde, die KAZACHSTAN ook als eerste betwist, betreft deze van de urgentie.
Ter staving van de urgentie voeren de partijen STATI aan dat KAZACHSTAN :
blijft weigeren om hen te betalen niettegenstaande 1) haar veroordeling tot betaling door het eerste arbitraal vonnis van 19 december 2013 dateert en door het aanvullend arbitraal vonnis van 17 januari 2014, 2) haar verzoeken tot schorsing van uitvoering en van vernietiging van deze arbitrale vonnissen intussen definitief zijn afgewezen door het Zweeds Hooggerechtshof bij arresten van 20 september 2017 en 24 oktober 2017, 3) de herhaalde verzoeken van de partijen STATI, 4) haar verplichting om het internationaal recht na te leven en 5) haar verbintenissen onder het Energiehandvest,
na de uitvoerbaarverklaring van de arbitrale vonnissen in België bij beschikking van 11 december 2017 zelfs weigert om de oorzaken van het aangevochten bewarend derdenbeslag te kantonneren,
alle uitvoeringspogingen van de partijen STATI, zowel in de Verenigde Staten, als in Zweden als in Nederland, frustreert en obstrueert,
nog andere schuldeisers heeft, zoals bijvoorbeeld CARATUBE INTERNATIONAL die in 2017 ook een arbitraal vonnis tegen KAZACHSTAN bekomen heeft voor een schuldvordering van 39,2 miljoen USD.
De partijen STATI benadrukken dat KAZACHSTAN "als buitenlandse schuldenaar, alles doet om invordering te frustreren en om haar goederen af te schermen van de Stati partijen, in zowel België als vele andere landen, met dien verstande dat in Kazachstan zelf, de Stati Partijen vanzelfsprekend niet kunnen rekenen op het gerechtelijk apparaat voor de uitvoering van hun vordering (integendeel, nu reeds opnieuw het slachtoffer zijn van het overheidsapparaat inclusief gerechtelijk apparaat aldaar)".
Zij voegen eraan toe dat dat de "constante weigering van Kazachstan om te betalen (op basis van ongegronde en a posteriori gefabriceerde fraude argumenten), samen met het risico dat geen andere afdoende goederen in België of andere jurisdicties zullen worden gevonden" de urgentie versterken met het oog op vrijwaring van latere uitvoering.
KAZACHSTAN betwist dat uit de elementen die de partijen STATI aanvoeren urgentie kan worden afgeleid. Zij legt uit dat zij de arbitrale uitspraken niet uitgevoerd heeft om reden dat deze volgens haar "uiterst gebrekkig en ongeldig" en door "fraude" bekomen zijn.
[Page 10]
Haar verzoeken tot schorsing van uitvoering en vernietiging van de arbitrale vonnissen voor de bevoegde bodemrechters in Zweden zijn echter intussen definitief verworpen bij arresten van 20 september 2017 en 24 oktober 2017 van het Zweeds Hooggerechtshof. Haar schuld aan de partijen STATI staat dus onbetwistbaar vast.
KAZACHSTAN schermt met een Engels vonnis van 6 juni 2017 van het Londons Hooggerechtshof. Deze uitspraak is gewezen in een soort derdenverzetsprocedure die KAZACHSTAN ingeleid heeft tegen de toelating tot (gedwongen) uitvoering die de partijen STATI op 28 februari 2014 in Engeland bekomen hebben. Het is een soort tussenuitspraak waarin het Londons Hooggerechtshof beslist om de beweringen van bedrog van KAZACHSTAN te onderzoeken en beoordelen tijdens en na verdere hoorzittingen.
Het Zweeds Hooggerechtshof heeft kennis genomen van dit Engels vonnis maar heeft beslist dat het eventueel bestaan van bedrog geen enkele weerslag had op de beslissingen in de arbitrale vonnissen.
De Belgische exequaturrechter heeft ook kennis genomen van dit Engels vonnis. Hij heeft beslist dat dit Engels vonnis, in tegenstelling tot voormelde Zweedse arresten, geen impact had in België en bij beschikking van 11 december 2017 de uitvoerbaarverklaring in België van de twee arbitrale vonnissen toegekend. KAZACHSTAN heeft tegen deze beschikking derdenverzet aangetekend maar zolang zij niet ongedaan gemaakt is, heeft zij gezag van gewijsde en dringt zij zich op aan KAZACHSTAN en ook aan de beslagrechter in huidige derdenverzetsprocedure.
Alle elementen die de partijen STATI aanvoeren, tonen wel degelijk aan dat er sprake is van urgentie in die zin dat de uitwinning gevaar loopt.
Ten onrechte beweert KAZACHSTAN ook dat de partijen STATI "4 jaar gewacht hebben vooraleer in België (en in andere jurisdicties) een procedure in te leiden". De arbitrale vonnissen dateren van 19 december 2013 en 17 januari 2014. Nog dezelfde maand, in januari 2014, zijn de partijen STATI hun tenuitvoerleggingsprocedure gestart, met name in de Verenigde Staten. KAZACHSTAN heeft vervolgens een vernietigingsprocedure ingeleid die pas met het arrest van 24 oktober 2017 definitief beëindigd is.
Ondanks de definitieve afwijzing van haar vernietigingsvordering blijft KAZACHSTAN in gebreke haar schulden aan de partijen STATI te betalen. Deze schulden bedragen meer dan 500 miljoen USD krachtens het eerste arbitraal vonnis en meer dan 1 miljoen EUR krachtens het tweede arbitraal vonnis.
In elk land waar de partijen STATI hun titels op gedwongen wijze wensen te laten uitvoeren, leidt KAZACHSTAN verzetsprocedures in en handhaaft ze deze, ook na het Zweeds arrest van 24 oktober 2017. Ook de bewarende beslagmaatregelen die de partijen STATI in verschillende landen treffen, betwist KAZACHSTAN en blijft ze betwisten, ook na uitvoerbaarverklaring van de arbitrale vonnissen.
KAZACHSTAN legt de arbitrale vonnissen en het Zweeds arrest van 24 oktober 2017 dat haar vernietigingsvordering definitief afwijst, naast zich neer. Zij wil duidelijk haar schulden niet betalen aan de partijen STATI en tracht zoveel als mogelijk aan gedwongen uitvoering en ook aan bewarende maatregelen te ontkomen door telkens opnieuw de geldigheid van de arbitrale vonnissen te betwisten en een uitvoeringsimmuniteit in te roepen.
[Page 11]
De uitvoering die de partijen STATI, rekening houdende met de beperkingen die de uitvoeringsimmuniteit hen oplegt, sinds 2014 nastreven, loopt manifest gevaar.
De urgentie was en is nog steeds bewezen.
5. Vervolgens houdt KAZACHSTAN voor dat de partijen STATI niet beschikken over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering ten overstaan van haar en dat de beweerde schuldvordering de openbare orde zou schenden.
6. De arbitrale vonnissen hebben gezag van gewijsde.
De Belgische exequaturrechter heeft ze intussen ook uitvoerbaar verklaard. Dit houdt in dat hij niet vastgesteld heeft dat deze uitvoerbaarverklaring in strijd zou zijn met de openbare orde.3 Hij heeft overigens uitdrukkelijk geoordeeld dat er geen enkele schending van de Belgische internationale orde bewezen was. Hij heeft ook het fraude-argument van KAZACHSTAN beoordeeld en afgewezen met verwijzing naar de beslissingen van de Zweedse vernietigingsrechters die geoordeeld hebben dat het eventueel bestaan van een fraude geen enkele weerslag had op de beslissingen in de arbitrale vonnissen. Ook van het Engels vonnis van 6 juni 2017 heeft hij kennis genomen en terzijde geschoven nu zij, in tegenstelling tot voormelde Zweedse beslissingen, geen impact heeft in België.
De beslagrechter mag aan deze beslissing tot uitvoerbaarverklaring, die tot op heden nog steeds bestaat, geen afbreuk doen.
De arbitrale vonnissen moeten bijgevolg als "vonnissen" in de zin van artikel 1414 Ger.W. beschouwd worden.4 Luidens deze bepaling geldt elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, als toelating om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen.
Het is in deze hypothese de schuldeiser niet verboden om voorafgaandelijk de machtiging van de beslagrechter te vragen maar het bestaan van een zekere schuldvordering kan niet meer ter discussie staan.5
De niet-mededeling van het Engels vonnis van 6 juni 2017 bij het oorspronkelijk eenzijdig verzoekschrift van de partijen STATI heeft bijgevolg, in tegenstelling tot wat KAZACHSTAN beweert, de beslagrechter niet misleid over het zeker, vaststaand en opeisbaar karakter van de schuldvordering.
Ook de twee andere ontbrekende feitelijke gegevens die KAZACHSTAN aanhaalt als tekortkomingen van de partijen STATI aan hun "plicht tot informatieverstrekking", zijn niet relevant en kunnen geen afbreuk doen aan het zeker, vaststaand en opeisbaar karakter van de schuldvordering van de partijen STATI
3 zie art. 1721, §1, Ger.W. ↩
4 E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 465. ↩
5 E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 463. ↩
[Page 12]
1. Als vierde middel voert KAZACHSTAN aan dat er geen rechtsverhouding bestaat tussen haarzelf en de derde-beslagene en deze derde-beslagene ook geen restitutieverplichting heeft ten aanzien van haar.
2. De partijen STATI repliceren hier vooreerst op dat dit middel geen grond voor derdenverzet is op basis waarvan de machtigende beschikking kan worden ingetrokken.
3. De partijen STATI hebben om de toelating verzocht om bewarend beslag te leggen tegen KAZACHSTAN in handen van de BNYM en deze ook bekomen. Zij hebben niet gevraagd om bewarend beslag te leggen tegen de NBK en een dergelijke ultra petita-toelating is ook niet uitgesproken.
In tegenstelling tot wat KAZACHSTAN beweert heeft de beslagrechter aan de partijen STATI geen machtiging verleend voor een "bewarend derdenbeslag op de rekeningen die in naam van de Nationale Bank van Kazachstan geopend werden bij het Londonse bijkantoor van BNY Mellon en die daar aangehouden worden door de Nationale Bank van Kazachstan".
Het middel dat KAZACHSTAN aanvoert betreft het voorwerp en de gevolgen van het beslag. KAZACHSTAN houdt eigenlijk voor dat het bewarend derdenbeslag geen voorwerp kon hebben maar de derde-beslagene toch ten onrechte rekeningen heeft geblokkeerd.
Dat de derde-beslagene de schuldenaar niet is van de beslagene is geen grond om de machtigende beschikking in te trekken en het toegestane bewarend derdenbeslag op te heffen. De afwezigheid van schuld in hoofde van de derde-beslagene ten overstaan van de beslagene leidt enkel tot de vaststelling dat het derdenbeslag geen voorwerp heeft.
In huidige zaak kan de beslagrechter enkel maar vaststellen dat het toegestane bewarend derdenbeslag wel degelijk een voorwerp heeft. De verklaring van de derde-beslagene bepaalt immers het voorwerp van het derdenbeslag. Deze verklaring luidt als volgt :
Hoewel (een rechtsvoorganger van) BNYM een 'global custody agreement', gedateerd 24 december 2001 ("Global Custody Agreement") is aangegaan met de Nationale Bank van azachstan (de "NBK"), een 'state entity' van de Republiek Kazachstan, met zetel te Kiktem-3, 21, Almaty 480090, Republiek Kazachstan, als wederpartij, kan BNYM niet volledig uitsluiten dat de Republiek Kazachstan (waaronder begrepen het National Fund) vorderingen heeft of zal verkrijgen op BNYM of dat BNYM activa onder zich houdt van of voor de Republiek Kazachstan (daaronder begrepen het National Fund), die voorwerp zijn van het bewarende beslag, gelet op haar contractuele relatie met de NBK, en de onzekere juridische relatie tussen de NBK en de Republiek Kazachstan.
Op grond van de Global Custody Agreement, houdt de Bank "certain securities of the National Fund and Cash on behalf of [de NBK] as custodian and banker respectively" aan (vrij vertaald: "bepaalde effecten van het Nationale Fonds en contanten voor rekening van [de NBK] respectievelijk als bewaarnemer en bankier". (onderstreping toegevoegd)
Daarnaast begrijpt BNYM momenteel dat de NBK onder de wetten van Kazachstan niet bekwaam is om eigen activa te bezitten die geen eigendom zijn van de Republiek Kazachstan, hoewel de NBK de bevoegdheid heeft om activa van het National Fund te houden, gebruiken en daarover te beschikken ingevolge een overeenkomst tussen de NBK en de Republiek Kazachstan met de
[Page 13]
overheid als begunstigde. BNYM is geïnformeerd dat dit geldt niettegenstaande het feit dat de NBK naar de wetten van de Republiek Kazachstan eigen rechtspersoonlijkheid heeft, de bevoegdheid heeft om in gerechtelijke procedures op te treden en activa en passiva kan houden die gescheiden zijn van de Republiek Kazachstan, bijvoorbeeld activa van andere partijen dan van de Republiek Kazachstan
Een omvattende lijst van activa gehouden op grond van de Global Custody Agreement, met ingang van 13 oktober 2017, is toegevoegd in Bijlage 1. Deze activa betreffen gelden en effecten die worden gehouden op geld- en effectenrekeningen bij de Londense vestiging van BNYM, voor een totaalbedrag van ongeveer USD 22 miljard (waarvan ongeveer USD 589 miljoen in gelden).
In het licht van deze onzekerheden zal BNYM de activa opgesomd in Bijlage I als bevroren beschouwen overeenkomstig het derdenbeslag. BNYM meent echter dat de potentiële rechten van de Republiek Kazachstan over deze activa zouden moeten worden vastgesteld door de Schuldeisers, de Republiek Kazachstan en de NBK (bij overeenkomst of in een gerechtelijke procedure).
De beslagene kan opkomen tegen de verklaring van de derde-beslagene voor de beslagrechter. Maar deze betwisting betreft dan de schuld van de derde en moet verwezen worden naar de bodemrechter (art. 1456, tweede lid, Ger.W.).6
Deze bevoegde bodemrechter is, zoals KAZACHSTAN zelf aangeeft, de Engelse rechter die zijn nationaal materieel recht moet toepassen.
Het vierde middel van KAZACHSTAN faalt bijgevolg volledig, zowel in feite als in rechte.
1. Als vijfde en laatste middel roept KAZACHSTAN de uitvoeringsimmuniteit in, zowel in toepassing van artikel 1412quater Ger.W. als in toepassing van artikel 1412quinquies Ger.W..
2. De partijen STATI herhalen dat enkel artikel 1412quinquies Ger.W. van toepassing is en argumenteren dat voldaan is aan de voorwaarde opgesomd onder §2, 3° als uitzondering op de uitvoeringsimmuniteit.
3. Zoals reeds hierboven7 geoordeeld, is artikel 1412quinquies en niet artikel 1412quater Ger.W. van toepassing in huidige beslagzaak.
4. Uit de lezing van artikel 1412quinquies Ger.W. blijkt dat de principiële uitvoeringsimmuniteit waarvan een buitenlandse staat in België geniet niet absoluut is. §2 van dit artikel voorziet immers in drie mogelijke uitzonderingen.
De partijen STATI steunen zich op de derde uitzondering, die als volgt luidt :
"3° indien vastgesteld is dat die eigendommen in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden en
6 E. DIRIX en K. BROECKX, Beslag, in A.P.R., Mechelen, Kluwer, 2010, nr. 789. ↩
7 onder punt 3.1.1. ↩
[Page 14]
zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk, met dien verstande dat uitsluitend beslag kan worden gelegd op eigendommen die verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt."
KAZACHSTAN betwist dat de voorwaarden van deze uitzondering vervuld zijn. Meer in het bijzonder argumenteert zij dat :
1) de beslagen tegoeden volledig gebruikt worden of beoogd zijn voor gebruik voor soevereine of gouvernementele doeleinden,
2) de beslagen tegoeden met haar geen verband houden, en
3) de beslagen tegoeden niet aangehouden of beheerd worden in België.
De bewijslast dat aan de uitzonderingsvoorwaarden is voldaan, rust op de schuldeiser.
Hierna onderzoekt de beslagrechter of de drie betwiste voorwaarden al dan niet vervuld zijn.
1) eigendommen die "in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden"
Terecht benadrukken de partijen STATI dat zij enkel om toelating hebben verzocht en bekomen op bewarend beslag te leggen op de vorderingen en zaken die betrekking hebben op het "spaarfonds" van het Nationaal Fonds van KAZACHSTAN.
Er bestaat geen betwisting over dat dit Nationaal Fonds deel uitmaakt en eigendom is van KAZACHSTAN.
Het Presidentieel Decreet van 23 augustus 2000 tot oprichting van dit Nationaal Fonds bepaalt het doel ervan. Dit bestaat er enerzijds uit "nationale spaarmiddelen aan te leggen (sparen)" en anderzijds "de afhankelijkheid van nationale en lokale budgetten van globale prijzen te verminderen (stabilisatie)".
Het Kazachs Budgetwetboek bevestigt deze twee doelstellingen en functies. "De spaarfunctie verzekert", luidens dit wetboek, "de accumulatie van financiële tegoeden en andere goederen, exclusief onlichamelijke goederen, en een rendement op goederen van het Nationaal Fonds van de Republiek Kazachtstan op lange termijn met een matig risico niveau.".
Om deze twee doelstellingen te realiseren zijn de fondsen verdeeld over twee portefeuilles, een "spaarportefeuille" en een "stabilisatieportefeuille".
De NBK omschrijft het doel van de "spaarportefeuille" als volgt : "de rentabiliteit van het vermogen op lange termijn te verhogen".
Het is niet betwist dat de in beslag genomen effecten en tegoeden, zoals opgesomd door de derde-beslagene BNYM in haar verklaring, uitsluitend tot de spaarportefeuille behoren.
[Page 15]
Op basis van het doel van de spaarportefeuille moeten deze in beslag genomen effecten en tegoeden als lange termijn-investeringsobjecten aanzien worden. Het verhogen van de rentabiliteit van het vermogen op lange termijn is een commerciële activiteit.
Bijgevolg tonen de partijen STATI aan dat de "spaarportefeuille" van het Nationaal Fonds van KAZACHSTAN in het bijzonder wordt gebruikt "voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden".
2) eigendommen die "verband houden met de entiteit waartegen de uitvoerbare titel of de authentieke of onderhandse stukken die, al naargelang het geval, ten grondslag liggen aan het beslag, zich richt"
Ten onrechte betwist KAZACHSTAN dat aan deze voorwaarde voldaan is nu er geen betwisting over bestaat dat het Nationaal Fonds van KAZACHSTAN deel en eigendom is van KAZACHSTAN.
3) eigendommen die "zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk"
Dat aan deze voorwaarde is voldaan bevestigt de verklaring van derde-beslagene BNYM.
5. Ook dit laatste vijfde middel van KAZACHSTAN moet bijgevolg verworpen worden.
De vier middelen die NBK inroept ter ondersteuning van haar vorderingen zijn ook opgeworpen door KAZACHSTAN en hierboven8 beantwoord en afgewezen.
De derde-beslagene BNYM vraagt te zeggen voor recht dat zij correct uitvoering heeft verleend aan het bewarend derdenbeslag en dat zij bevrijd is ten aanzien van NBK en van KAZACHSTAN.
Beide vorderingen betreffen het voorwerp van het beslag, met name het al dan niet bestaan van een schuld in hoofde van BNYM ten overstaan van KAZACHSTAN. KAZACHSTAN betwist het bestaan van deze schuld. Deze betwisting kan en mag de beslagrechter niet beslechten maar enkel de bodemrechter. Deze bodemrechter is, zoals reeds hierboven9 geoordeeld, de Engelse rechter die zijn nationaal materieel recht zal toepassen.
8 onder punt 3.1. ↩
9 onder punt 3.1.4. ↩
[Page 16]
Luidens de verklaring van de derde-beslagene bedraagt het voorwerp van het beslag ongeveer 22 miljard USD, met andere woorden een veelvoud van de oorzaken ervan.
De partijen STATI verklaren zich uitdrukkelijk akkoord om een beperking van het voorwerp van het beslag tot de oorzaken ervan te aanvaarden. Zij begroten deze oorzaken heden, met inbegrip van de intresten, op het bedrag van 530 miljoen USD.
In toepassing van artikel 1017, eerste lid, Ger.W. verwijst de beslagrechter KAZACHSTAN en de NBK, zoals gevraagd door de partijen STATI, in de gedingkosten.
Deze bestaan voor de partijen STATI uit de rechtsplegingsvergoeding, die begroot moet worden op het geïndexeerde basisbedrag voor niet in geld waardeerbare geschillen, met name 1.440 €. De bijdrage van 20 € voor het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand blijft ook ten laste van KAZACHSTAN.
BNYM vraagt dat er over de kosten uitspraak gedaan wordt "als naar recht". Nu haar vorderingen niet worden toegekend, kan zij geen aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding.
OM DEZE REDENEN
DE BESLAGRECHTER,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak;
Verleent akte aan de Nationale Bank van de republiek Kazachstan en aan The Bank of New York Mellon van hun vrijwillige tussenkomst;
Verklaart de vorderingen van de republiek Kazachstan, de Nationale Bank van de republiek Kazachstan en The Bank of New York Mellon ontvankelijk doch ongegrond;
Beperkt het voorwerp van het bewarend derdenbeslag van 13 oktober 2017 tot het bedrag van 530 miljoen USD;
[Page 17]
Veroordeelt de republiek Kazachstan en de Nationale Bank van de republiek Kazachstan tot betaling van de gedingkosten van de verweerders op derdenverzet (aangeduid als de partijen STATI), begroot op het bedrag van 1.440 € (rechtsplegingsvergoeding);
Aldus uitgesproken ter openbare terechtzitting van de beslagkamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 25 mei 2018.
waar aanwezig waren en zitting namen :
mevrouw Anouk DEVENYNS, ondervoorzitter en beslagrechter,
mevrouw Tania COUCK, afgevaardigd griffier.
|
Signature T.COUCK |
Signature A. DEVENYNS |