This HTML version is machine-generated. Always consult the original document.Original document (PDF), opens in new tab

[Page 1]

ECLI:NL:GHDHA:2025:2444
InstantieGerechtshof Den Haag
Datum uitspraak26-11-2025
Datum publicatie03-12-2025
Zaaknummer200.344.232/02, 200.317.562/02, 200.259.875/04
RechtsgebiedenCiviel recht
Bijzondere kenmerkenWraking
InhoudsindicatieAfgewezen wrakingsverzoek
VindplaatsenRechtspraak.nl

Uitspraak


GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummers wrakingskamer: 200.259.875/04, 200.317.562/02 en 200.344.232/02

Zaaknummers hoofdzaken : 200.259.875/03, 200.317.562/01 en 200.344.232/01

Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en
verschoningsverzoeken d.d. 26 november 2025

op het verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de
hoofdzaken met de hiervoor genoemde zaaknummers van:

[bewindvoerder], in hoedanigheid van administrator (bewindvoerder) van CC/Devas (Mauritius) Limited
(in administration), Devas Employees Mauritius Private Limited (in administration) en Telcom Devas
Mauritius Limited (in administration),
kantoorhoudend in Ébène Cybercity, Mauritius,
verzoeker,
advocaat: mr. S.N.J. Putter, kantoorhoudend te Den Haag.

1 De procedure

1.1 De hoofdzaken betreffen drie civiele procedures waarin de Republiek India naar aanleiding van twee
arbitrale vonnissen in een investeringsarbitrage tegen CC/Devas (Mauritius) Limited, Devas Employees
Mauritius Private Limited en Telcom Devas Mauritius Limited (hierna: Devas c.s.) vorderingen tot
vernietiging en herroeping heeft ingesteld.

1.2 In de hoofdzaken is onder meer in geschil of mr. G.J. Meijer (hierna: mr. Meijer) Devas c.s. nog langer
vertegenwoordigt, of dat mr. Putter dat doet. Verzoeker stelt zich in de hoofdzaken op het standpunt
dat de opdracht aan mr. Meijer is beëindigd en dat mr. Putter nu optreedt als advocaat van Devas c.s.
Subsidiair wenst verzoeker tussen te komen in de hoofdzaken.

1.3 Mr. Meijer wordt in de hoofzaken op de rol vermeld als advocaat van Devas c.s. en mr. Putter als
advocaat van de tussenkomende partij voor Devas c.s.

[Page 2]

1.4 De mondelinge behandeling van onder meer het incident tot tussenkomst was bepaald op 28 oktober
2025 ten overstaan van mr. P. Glazener, voorzitter, en mr. J.J. van der Helm en mr. R.M. Hermans,
leden. Tijdens deze zitting zou ook een door mr. Meijer namens (de bestuurders van) Devas c.s. en
hun aandeelhouders CCDM c.s. ingestelde incidentele vordering (tot zekerheidstelling voor de
proceskosten door verzoeker) worden behandeld.

1.5 Bij een op 27 oktober 2025 verzonden e-mail heeft mr. Putter een verzoek tot verschoning van mr.
Glazener gedaan. Indien hieraan geen uitvoering wordt gegeven, moet het verzoek worden opgevat als
een verzoek tot wraking. Bij brief van 27 oktober 2025 is het wrakingsverzoek toegelicht. In deze brief
schrijft mr. Putter dat "de heer [bewindvoerder] "zorgen heeft bij de zittingscombinatie en dat er een
objectief gerechtvaardigde vrees bestaat, althans de schijn daartoe, van onvoldoende onpartijdigheid
en onafhankelijkheid van mr. Glazener. De wrakingsgronden worden in de brief nader uitgewerkt.

1.6 Mr. Glazener heeft op 27 oktober 2025 mondeling aan de secretaris van de wrakingskamer laten weten
dat hij zich niet zal verschonen en heeft bij e-mail van 27 oktober 2025 aan de wrakingskamer
medegedeeld dat hij niet in de wraking berust. Op 30 oktober 2025 heeft hij schriftelijk gereageerd op
het wrakingsverzoek.

1.7 De wrakingskamer heeft het verzoek op 7 november 2025 ter openbare zitting behandeld, waar mr.
Putten het verzoek heeft toegelicht. Mr. Glazener is, met bericht van verhindering, niet ter zitting
verschenen maar heeft voorafgaand een schriftelijke reactie ingediend. Mr. Meijer en de advocaat van
de Republiek India, mr. I.J.A. Tax, waren als toehoorder aanwezig.

2 Wrakingsverzoek

2.1 Verzoeker heeft samengevat de volgende wrakingsgronden naar voren gebracht. Mr. Glazener is lid
van het wrakingscomité van het Nederlands Arbitrage Instituut (hierna: NAI) en geplaatst op de
arbiterlijst van het NAI. Dit zijn bezoldigde functies. De benoeming en plaatsing van mr. Glazener op
de arbiterlijst van het NAI en in het wrakingscomité vonden plaats tijdens het aanhangig zijn van (een
of meer van) de hoofdzaken en in de periode dat mr. Meijer voorzitter was van het bestuur van het
ΝΑΙ. Mr. Meijer heeft daarmee een (leidende) rol gespeeld niet alleen bij de benoeming van mr.
Glazener als lid van het wrakingscomité en de vaststelling van diens beloning, maar ook bij de
plaatsing van mr. Glazener op de NAI-arbiterlijst. Mr. Glazener stond bovendien als lid van het
wrakingscomité in een hiërarchisch ondergeschikte positie ten opzichte van mr. Meijer, althans het
bestuur van het NAI. Verzoeker vreest daarom dat mr. Glazener onvoldoende onafhankelijk en
onpartijdig is om te beslissen in een procedure waarbij mr. Meijer optreedt als advocaat. In elk geval
heeft mr. Glazener de schijn daartoe opgewekt, onder meer door mr. Meijer met voorrang te
behandelen door hem en niet mr. Putter in zijn rolbeslissing van 12 december 2024 aan te merken als
de nieuwe advocaat van Devas c.s. in één van de procedures (200.344.232/01). Daarbij komt dat mr.
Glazener zijn functies van lid van het wrakingscomité en arbiter bij het NAI niet heeft laten opnemen in
het register van nevenfuncties van rechters. Ten slotte is mr. Glazener eerder betrokken geweest bij in
elk geval één procedure tussen de Republiek India en Devas c.s. Hij was voorzitter van de combinatie
die in deze procedure op 16 februari 2021 het arrest wees. In een van de hoofdzaken (zaak
200.344.232/01) vordert de Republiek India herroeping van dit arrest. De eerdere betrokkenheid van
mr. Glazener kan in de weg staan aan een objectieve beoordeling van die vordering, aldus verzoeker.
Verzoeker concludeert dat alle omstandigheden tezamen, in hun onderlinge samenhang, de objectief
gerechtvaardigde vrees opwekken van een gebrek aan voldoende onafhankelijkheid en onpartijdigheid
als mr. Glazener moet beslissen in een procedure waarin mr. Meijer optreedt als advocaat van één of
meerdere procespartijen.

3 De reactie van mr. Glazener

3.1 Mr. Glazener heeft niet in de wraking berust, omdat hij van mening is dat geen grond bestaat om te
twijfelen aan zijn onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende
aangevoerd.

[Page 3]

3.2 Mr. Meijer maakt al enige tijd geen deel meer uit van het bestuur van het NAI. Ook gedurende zijn
voorzitterschap is geen sprake geweest van een afhankelijkheidsrelatie, of enige andere relatie
waardoor zou kunnen worden getwijfeld aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van mr. Glazener.
Mr. Glazener voert aan dat hij geen persoonlijke relatie heeft met mr. Meijer en met hem ook geen
contact heeft gehad over zijn benoeming als lid van het wrakingscomité, zijn plaatsing op de
arbiterlijst of zijn benoemingen als arbiter in NAI-arbitrages. Voor zover mr. Glazener bekend, hebben
die laatste benoemingen plaatsgevonden op verzoek van de (advocaten van) partijen in die
procedures. Verder is geen sprake van een hiërarchisch ondergeschikte relatie van het wrakingscomité
ten opzichte van het bestuur van het NAI. Het wrakingscomité voert zijn functie geheel onafhankelijk
van het bestuur uit. Mr. Glazener merkt verder op dat hij sinds zijn benoeming als lid van het
wrakingscomité nog geen deel heeft uitgemaakt van enige wrakingskamer.

3.3 Mr. Glazener voert verder aan dat uit zijn deelname aan de combinatie die het arrest van 16 februari
2021 wees, evenmin vooringenomenheid kan worden afgeleid. De herroepingsvordering moet naar
haar aard worden beoordeeld op basis van feiten die niet bekend waren ten tijde van het wijzen van
het arrest, en waarover in dat arrest dus geen oordeel is gegeven. Het is ook niet ongebruikelijk dat
een herroepingsvordering wordt beoordeeld door de combinatie die het eerdere arrest heeft gewezen,
juist omdat deze combinatie goed in staat is om te beoordelen of een grond voor herroeping bestaat.

3.4 Mr. Glazener besluit dat het juist is dat zijn lidmaatschap van het wrakingscomité en zijn plaatsing op
de arbiterlijst van het NAI niet in het register van nevenfuncties waren vermeld. Hij heeft beide
functies eerst bij de recente inventarisronde van nevenfuncties opgegeven. Bij de vorige
inventarisronde is hij dat vergeten. Daar had hij geen bijzondere reden voor. Beide functies staan
vermeld op de website van het NAI. Het is niet duidelijk wat de relevantie van deze omissie is in het
kader van het wrakingsverzoek, aldus mr. Glazener.

4 Beoordeling van het wrakingsverzoek

Juridisch kader

4.1 Artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) houdt in dat op verzoek van een
partij, elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten en
omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Deze bepaling is
ook van toepassing op de raadsheren die het hoger beroep behandelen.

4.2 Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke
onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een
procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is
het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is
aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond
in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het
aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.

Beoordeling in deze zaak

4.3 De eerste wrakingsgrond houdt verband met (het besluit tot) plaatsing van mr. Glazener op de NAI-
arbiterlijst en zijn benoeming tot lid van het wrakingscomité van het NAI. Volgens verzoeker heeft mr.
Meijer een leidende, dan wel belangrijke rol gespeeld bij die benoemingen van mr. Glazener. De
wrakingskamer is echter van oordeel dat hiervan geen sprake is geweest; verzoeker heeft daarvoor
onvoldoende concrete aanknopingspunten aangedragen. Op vragen van de wrakingskamer heeft mr.
Meijer een algemene toelichting gegeven over de procedure voor plaatsing op en verwijdering van de
NAI-arbiterlijst en benoeming en ontslag als lid van het wrakingscomité. Uit die toelichting volgt dat
normaal gesproken het voltallige bestuur van het NAI bestaande uit vijf personen inclusief de
voorzitter hierover beslist en niet alleen de voorzitter. De voorzitter heeft dus (kennelijk) geen
doorslaggevende stem of invloed op benoemingen. Ook is komen vast te staan dat de leden van het
wrakingscomité niet in een hiërarchisch ondergeschikte positie ten opzichte van (de voorzitter van) het
bestuur staan. Verzoeker heeft dit alles niet weersproken.

[Page 4]

4.4 In het concrete geval van mr. Glazener geldt verder het volgende. Vaststaat dat mr. Meijer tot voor
kort voorzitter was van het bestuur van het NAI. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat mr.
Meijer ook voorzitter was toen mr. Glazener werd geplaatst op de NAI-arbiterlijst en benoemd tot lid
van het wrakingcomité, laat staan dat mr. Meijer in die functie een leidende rol zou hebben gespeeld in
die benoeming van mr. Glazener of op andere wijze enige invloed zou hebben uitgeoefend. Het lijkt er
veeleer op dat het (voltallige) bestuur van het NAI mr. Glazener op de NAI-arbiterlijst heeft geplaatst
en hem heeft benoemd tot lid van het wrakingscomité. Ook heeft verzoeker gezien de toelichting op de
benoemingsstructuur van het NAI niet concreet toegelicht waarin enige afhankelijkheidsrelatie in dit
geval tussen mr. Glazener en mr. Meijer zou bestaan. Concrete aanknopingspunten heeft verzoeker
daarvoor niet aangedragen; niet ten aanzien van de plaatsing op de arbiterlijst, en evenmin als het
gaat om de benoeming in het wrakingscomité. Zo bepaalt het overgelegde reglement voor het
wrakingscomité uitdrukkelijk dat de leden van het comité onafhankelijk over de gegrondheid van de
aanhangige wrakingen beslissen. De stelling van verzoeker dat mr. Glazener als lid van het
wrakingscomité in een hiërarchisch ondergeschikte positie stond ten opzichte van mr. Meijer, althans
het bestuur van het NAI, kan dan ook niet worden gevolgd. Volgens mr. Glazener heeft hij over zijn
plaatsing op de NAI-arbiterlijst en zijn benoeming tot lid van het wrakingscomité ook nooit contact
gehad met mr. Meijer.

4.5 Evenmin kan worden aangenomen dat mr. Meijer een (leidende) rol heeft gespeeld bij de vaststelling
van de beloning van mr. Glazener als lid van het wrakingscomité, dan wel als NAI-arbiter. Mr. Meijer
heeft ter zitting toegelicht dat de beloning voor leden van het wrakingscomité gelijk is; zij ontvangen
een vaste vergoeding per wrakingszaak. De vergoedingen voor NAI-arbiters zijn vastgesteld in het
NAI-arbitragereglement, Appendix F, naar rato van het geldelijk belang van de arbitrage (zie ΝΑΙ
Arbitragereglement 2024 en toelichting - NAI). Verzoeker heeft dit alles niet betwist. Voor zover
verzoeker nog heeft aangevoerd dat mr. Glazener eenmaal rechtstreeks door het NAI is benoemd tot
arbiter in kort geding wat hier ook van zij -, geldt dat mr. Putter ter zitting heeft onderkend dat zoals
mr. Meijer heeft toegelicht benoemingen in kort geding buiten het bestuur om worden gedaan door de
administrateur van het ΝΑΙ.

4.6 Op grond van het voorgaande slaagt de eerste wrakingsgrond niet.

4.7 De wrakingskamer overweegt ten aanzien van de tweede wrakingsgrond als volgt. De omstandigheid
dat mr. Glazener voorzitter was van de combinatie die een (voor Devas c.s. gunstig) arrest heeft
gewezen waarvan herroeping wordt gevorderd, is in geen enkel opzicht reden om de (objectief
gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid van mr. Glazener aan te nemen. Van bijzondere
omstandigheden waaruit zou kunnen blijken dat dit anders is, is hier niet gebleken. Zoals mr. Glazener
terecht aanvoert, is het niet ongebruikelijk dat een herroepingsvordering wordt beoordeeld door (een
of meer van) de raadsheren die het eerdere arrest hebben gewezen.

4.8 Uit de rolbeslissing van 12 december 2024 kan evenmin (objectief gerechtvaardigde schijn van)
partijdigheid van mr. Glazener worden afgeleid. De beslissing om geen gevolg te geven aan het
verzoek van mr. Putter om de procedures te schorsen en om zijn naam als advocaat van Devas c.s. op
de rol te plaatsen en die van mr. Meijer te verwijderen, moet worden aangemerkt als een procedurele
beslissing. Procedurele beslissingen vormen in beginsel geen grond voor wraking. Het middel van
wraking kan niet een verkapt rechtsmiddel zijn tegen (procedurele) beslissingen van een rechter. Dat
oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van aanwending van een rechtsmiddel belast is
met de behandeling van de zaak. Ook de motivering van een (procedurele) beslissing kan in beginsel
geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer
onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een
motivering. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de (procedurele) beslissing in het licht van
alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten bijvoorbeeld door de in de
motivering gebezigde bewoordingen niet anders kan worden verstaan dan als blijk van
vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.1 Dat daarvan in deze zaak sprake is, is
niet gebleken. Overigens volgt uit het dossier dat de inhoudelijke beslissing over het verzoek van mr.
Putter, nog voorligt. Het hof moet hierover immers nog beslissen. In de rolbeslissing van 12 december
2024 staat ook dat "op dit moment" wordt volstaan met de vaststelling dat mr. Meijer de gestelde
advocaat van Devas c.s. is Uit de rolbeslissing van 12 december 2024 volgt daarom niet dat mr. Meijer

[Page 5]

wordt bevoordeeld, zoals verzoeker stelt.

4.9 Niet in geschil is dat het lidmaatschap van mr. Glazener van het wrakingscomité en zijn plaatsing op
de NAI-arbiterlijst niet in het register van nevenfuncties waren vermeld. Mr. Glazener onderkent dat hij
dat wel had moeten doen (vergelijk artikel 44 lid 5 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren).
Inmiddels heeft hij dat ook gedaan. Verzoeker heeft niet uitgelegd, noch onderbouwd, op welke wijze
uit deze verlate vermelding van nevenfuncties een (objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid
van mr. Glazener jegens verzoeker valt af te leiden, ook niet bezien in samenhang met de andere
wrakingsgronden.

4.10 Uit het vorenstaande volgt dat het verzoek tot wraking ongegrond is en afgewezen dient te worden.

5 Beslissing

Het hof:

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.J. van Boven, M.J. Van Cleef-Metsaars en J.I. de Vreese-Rood en is
in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.


1 Hoge Raad 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413. ↩