ECLI:NL:RBDHA:2023:5704
| Instantie | Rechtbank Den Haag |
| Datum uitspraak | 25-01-2023 |
| Datum publicatie | 06-06-2023 |
| Zaaknummer | 635775 |
| Rechtsgebieden | Burgerlijk procesrecht |
| Bijzondere kenmerken | Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig |
| Inhoudsindicatie | Vordering tot vernietiging arbitraal bevoegdheidsvonnis. Geen reden voor afwijking van wettelijk systeem, inhoudende dat dit alleen kan tegelijkertijd met arbitraal eindvonnis. Eisende partij wordt niet ontvankelijk verklaard in vordering. |
| Vindplaatsen | Rechtspraak.nl TVA 2023/43 |
RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaaknummer: C/09/635775 / HA ZA 22-819
Vonnis van 25 januari 2023
in de zaak van
DE REPUBLIEK INDIA te New Delhi, India,
eiseres,
hierna te noemen: India,
advocaat: mr. T.L. Claassens te Rotterdam,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
KHAITAN HOLDINGS ( MAURITIUS ) LIMITED te Ebene, Mauritius,
[Page 1]
gedaagde,
hierna te noemen: KHML,
advocaat: mr. M.C. van Leyenhorst te Leiden.
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2.1. KHML heeft op 1 oktober 2013 een arbitrageprocedure tegen India aanhangig gemaakt op grond
van het Bilateraal Investeringsverdrag tussen Mauritius en India (hierna: de arbitrageprocedure).
De arbitrageprocedure wordt beheerst door het UNCITRAL Arbitragereglement 1976 (hierna: Het
UNCITRAL-reglement). De plaats van arbitrage is Den Haag.
2.2. De arbitrageprocedure houdt verband met de uitgifte van een vergunning aan de vennootschap
Loop Telecom Private Limited (hierna: Loop Telecom) voor mobiele telecommunicatie voor 2G-
spectrum in India, en de latere intrekking van die vergunning. KHML houdt 26% van de aandelen
in Loop Telecom.
2.3. India heeft in de arbitrageprocedure professor Brigitte Stern (hierna: Stern ) als lid van het
scheidsgerecht benoemd. KHML heeft de heer Francis Xavier (hierna: Xavier ) als zodanig
benoemd. Stern en Xavier hebben vervolgens samen professor Campbell McLachlan QC (hierna:
McLachlan) benoemd als derde lid van het scheidsgerecht.
2.4. India heeft zich op vier gronden verweerd tegen de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Het
scheidsgerecht heeft de verweren van India tegen haar bevoegdheid bij 'Decision on Jurisdiction'
van 9 december 2021 afgewezen. Deze beslissing wordt hierna 'het arbitrale bevoegdheidsvonnis'
genoemd. Het scheidsgerecht heeft twee van de verweren van India tegen de bevoegdheid
unaniem afgewezen. De andere twee verweren van India tegen de bevoegdheid zijn afgewezen
bij meerderheid, bestaande uit de arbiters Xavier en McLachlan.
2.5. India heeft op 1 februari 2022 een wrakingsverzoek (in het Engels aangeduid als ' Challenge ')
tegen Xavier ingediend bij de president van het Internationaal Gerechtshof.
2.6. Op 15 april 2022 heeft de president van het Internationaal Gerechtshof geoordeeld dat sprake
was van gerechtvaardigde twijfel aan de onpartijdigheid van Xavier in de zin van artikel 10 lid 1
van het UNCITRAL-reglement, en heeft de wraking daarom gehonoreerd. Dit oordeel is als volgt
verwoord::
[Page 2]
"I conclude that there are justifiable doubts as to Mr. Xavier 's impartiality. I therefore consider that the
Challenge should be upheld."
De president van het Internationaal Gerechtshof is tot deze beslissing gekomen vanwege het een
feit dat Xavier niet had gemeld dat het advocatenkantoor waaraan hij is verbonden, in een andere
procedure een processuele wederpartij van India heeft bijgestaan. Op de andere door India
opgeworpen omstandigheden voor wraking van Xavier is de president van het Internationaal
Gerechtshof niet ingegaan.
3.1. India vordert dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren
vonnis, het arbitrale bevoegdheidsvonnis vernietigt, met veroordeling van KHML in de
proceskosten.
3.2. India neemt het standpunt in dat zij ontvankelijk is in deze vordering. Zij heeft dat standpunt als
volgt toegelicht. Als hoofdregel geldt dat een vernietigingsprocedure tegen een arbitraal vonnis
betreffende bevoegdheid in beginsel slechts kan worden ingesteld tegelijk met een
vernietigingsprocedure tegen een daaropvolgend (gedeeltelijk) eindvonnis. In deze zaak is echter
gerechtvaardigd dat van deze hoofdregel wordt afgeweken. De arbitrale bevoegdheidsbeslissing
is de facto slechts door Xavier genomen, aangezien hij bij die beslissing de doorslaggevende stem
heeft gehad. Xavier is daarna uit zijn functie van arbiter ontheven vanwege gerechtvaardigde
twijfel aan zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Aldus kleeft er aan het arbitrale
bevoegdheidsvonnis een inherent en onherstelbaar gebrek dat zo fundamenteel van aard is, en is
de goede procesorde in verband daarmee zodanig geschonden, dat in alle redelijkheid niet van
India kan worden gevergd dat zij de arbitrageprocedure op basis daarvan voortzet en daarvoor
kosten maakt. Dit zou ingaan tegen het beginsel van proceseconomie.
3.3. KHML betoogt op meerdere gronden dat India niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar
vordering.
3.4. Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.
4.1. De arbitrageprocedure waarop deze zaak betrekking heeft, is vóór 1 januari 2015 aanhangig
gemaakt. Daarom volgt uit artikel IV lid 2 van de Wet modernisering Arbitragerecht (Stb. 2014/200)
dat de artikelen 1020 tot en met 1073 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van
toepassing zijn zoals deze luidden tot 1 januari 2015.
4.2. Op grond van artikel 1064 lid 2 jo 1058 lid 1 sub b Rv (zoals luidend tot 1 januari 2015) behoort
de vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis tot de bevoegdheid van de rechtbank van
het arrondissement waarbinnen de plaats van arbitrage is gelegen. De plaats van arbitrage is
gelegen te Den Haag. De rechtbank is daarom bevoegd om van de vordering van India kennis te
nemen.
4.3. In artikel 1052 lid 4 Rv (zoals luidend tot 1 januari 2015) is neergelegd dat de beslissing waarbij
het scheidsgerecht zich bevoegd verklaart, slechts tegelijk met een daaropvolgend geheel of
gedeeltelijk eindvonnis met vernietiging kan worden bestreden. Verder is in artikel 1064 lid 4 Rv
[Page 3]
(zoals luidend tot 1 januari 2015) bepaald dat tegen een arbitraal tussenvonnis de vordering tot
vernietiging slechts kan worden ingesteld tezamen met de vordering tot vernietiging van het
gehele of gedeeltelijke arbitrale eindvonnis.
4.4. Aldus houdt het wettelijke systeem in dat géén afzonderlijke en tussentijdse vernietiging kan
worden gevorderd van een arbitrale tussenvonnis (zoals een arbitrale vonnis waarin het
scheidsgerecht zich bevoegd heeft verklaard). Partijen zijn het daarover ook eens. Zij verschillen
echter van mening over de vraag of omstandigheden ertoe kunnen leiden dat dit wettelijke
systeem mag worden doorbroken. KHML stelt zich op het standpunt dat dit nimmer mogelijk is.
India betoogt dat dit onder bijzondere omstandigheden wel tot de mogelijkheden behoort, en
verwijst daartoe naar het vonnis van de rechtbank Breda van 27 februari 2001,
ECLI:NL:RBBRE: 2001:AE0837.
4.5. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Voor het hiervoor genoemde wettelijke systeem is
mede gekozen ter vermijding van de processuele complicaties die kunnen voortvloeien uit de
gelijktijdige verdere behandeling van het arbitraal geding bij arbiters na het een door hen
gewezen tussenvonnis en van het vernietigingsgeding bij de gewone rechter (vergelijk Hoge Raad
20 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6207, rechtsoverweging 4.2.). De eventuele nadelige gevolgen
van dit wettelijke systeem voor een arbitrale procespartij zijn te overzien, omdat na het wijzen
van het arbitrale eindvonnis alsnog kan worden opgekomen tegen de daaraan voorafgaande
arbitrale tussenvonnissen (vergelijk rechtbank 's-Gravenhage 27 juni 2007,
ECLI:NL:HR:2007:BJ9723). Als er al ruimte is voor het separaat vorderen van vernietiging van een
arbitraal tussenvonnis, dan is dat alleen in zeer uitzonderlijke gevallen. Daarvan is hier geen
sprake.
4.6. In de arbitrageprocedure tussen KHML en India is Xavier uit zijn functie van arbiter ontheven,
omdat is geoordeeld dat het niet melden door Xavier van eerdere activiteiten van het
advocatenkantoor waaraan hij is verbonden, maken dat sprake is 'gerechtvaardigde twijfel' aan
zijn onpartijdigheid en onafhankelijkheid. Dat rechtvaardigde de wraking, maar vormt naar het
oordeel van de rechtbank geen grond voor het doorbreken van het wettelijke systeem. De
omstandigheid dat de stem van Xavier voor twee van de bevoegdheidsverweren van India
beslissend is geweest, maakt dat niet anders. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat ook
McLachlan heeft ingestemd met het verwerpen van alle verweren van India tegen de bevoegdheid
van het scheidsgerecht.
4.7. Gezien het voorgaande zal de rechtbank India niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
4.8. India zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Deze
worden tot op heden aan de zijde van KHML begroot op:
totaal € 1.802,00.
4.9. KHML heeft mede gevorderd om India te veroordelen in de gebruikelijke nakosten. Volgens vaste
rechtspraak levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op (vgl. HR
19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, rechtsoverweging 3.5 en HR 14 februari 2014,
ECLI:NL:HR: 2014:335, rechtsoverweging 3.2). Deze rechtspraak moet zo worden begrepen dat
een veroordeling in de proceskosten een veroordeling in de nakosten omvat. Er bestaat daarom
geen aanleiding voor afzonderlijke vermelding van de nakosten in de proceskostenveroordeling.
[Page 4]
De rechtbank:
5.1. verklaart India niet-ontvankelijk in haar vordering tegen KHML;
5.2. veroordeelt India in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van KHML begroot op € 1.802,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2023.
1769