[Page 1]
| ECLI:NL:RBROT:2026:8903 | |
| Instantie | Rechtbank Rotterdam |
| Datum uitspraak | 21-07-2026 |
| Datum publicatie | 21-07-2026 |
| Zaaknummer | C/10/720308 / KG ZA 26-503 |
| Rechtsgebieden | Civiel recht |
| Bijzondere kenmerken | Kort geding |
| Inhoudsindicatie | Kort geding. Opheffing beslag. Spanje is in een arbitraal eindvonnis veroordeeld tot betaling van 106 miljoen aan een Japanse investeerder. De investeerder heeft haar vordering op Spanje verkocht aan gedaagde. Op verzoek van gedaagde heeft de Haagse voorzieningenrechter o.a. het eindvonnis erkend en verlof verleend om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen. Daarna heeft Blasket ten laste van Spanje executoriaal beslag doen leggen op een pand in Utrecht. Spanje vordert opheffing van het beslag. Toewijzing. Tenuitvoerlegging is nietig. De grosse van de verlofbeschikking en het eindvonnis zijn niet aan Spanje betekend. Daarnaast geniet het pand immuniteit van executie en maakt het beslag daar inbreuk op. |
| Vindplaatsen | Rechtspraak.nl |
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/720308 / KG ZA 26-503
Vonnis in kort geding van 21 juli 2026
in de zaak van
KONINKRIJK SPANJE,
zetelend in Madrid, Koninkrijk Spanje,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaten: mrs. K.J. Krzeminski en M.L.S. Klein,
tegen
[Page 2]
BLASKET RENEWABLE INVESTMENTS LLC,
gevestigd in Wilmington, Delaware, Verenigde Staten van Amerika,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaten: mrs. R.R. Verkerk, J. Biezenaar en A.J.J. Kool,
met als tussenkomende partij
STAAT DER NEDERLANDEN
(ministeries van Justitie en Veiligheid en van Buitenlandse Zaken),
zetelend in Den Haag,
advocaten: mrs. S.H.G. Cnossen en R.J. van der Horst,
en optredend als amicus curiae op de voet van artikel 29 lid 2 Vo. 2015/15891
EUROPESE COMMISSIE,
vertegenwoordigd door: [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .
Partijen worden hierna Spanje, Blasket en de Staat genoemd.
De Europese Commissie wordt aangeduid als de Commissie.
De zaak in het kort
Spanje is in een arbitraal eindvonnis veroordeeld tot betaling van 106 miljoen aan een Japanse
investeerder. De investeerder heeft haar vordering op Spanje verkocht aan Blasket. Op verzoek van
Blasket heeft de Haagse voorzieningenrechter o.a. het eindvonnis erkend en verlof verleend om dat vonnis
in Nederland ten uitvoer te leggen. Daarna heeft Blasket ten laste van Spanje executoriaal beslag doen
leggen op een pand in Utrecht.
Spanje verzet zich met dit kort geding tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis door Blasket. Volgens
Spanje is het beslag nietig, omdat Blasket het verlof en het eindvonnis voorafgaand aan de beslaglegging
niet aan Spanje heeft betekend. Daarnaast stelt Spanje, daarin gesteund door de Staat, dat Blasket met
het beslag inbreuk maakt op immuniteit van executie en dat de betalingsverplichting in het vonnis
kwalificeert als steunmaatregel waaraan, zonder goedkeuring van de Commissie, geen uitvoering mag
worden gegeven.
Blasket stelt dat het vonnis onherroepelijk is en dat Spanje zijn betalingsverplichting op grond van
internationaal recht na moet komen. De voorzieningenrechter heft het beslag in dit vonnis op.
[Page 3]
1 De procedure
1.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
1.2. De mondelinge behandeling vond plaats op 30 juni 2026. Met toepassing van artikel 29 lid 2 Vo.
2015/1589 heeft de voorzieningenrechter de Commissie toestemming gegeven om ter zitting
mondelinge opmerkingen te maken.
1.3. De Staat heeft gevorderd om te mogen tussenkomen in het geding. Blasket heeft daar bezwaar tegen
gemaakt. Volgens Blasket zou de tussenkomst tot ongelijkheid leiden, omdat de Staat zich, net als de
Commissie, achter Spanje schaart. Spanje zou daardoor tijdens de zitting indirect meer spreektijd
krijgen. Verder heeft Blasket gesteld dat zij in haar belangen werd geschaad doordat het incident te
laat was opgeworpen.
1.4. De voorzieningenrechter heeft de tussenkomst aan het begin van de mondelinge behandeling
toegestaan, omdat de Staat een zelfstandig belang heeft bij haar vordering. Tussen de lidstaten van de
Europese Unie (hierna: de EU), waaronder Nederland en Spanje, geldt een loyale samenwerkingsplicht
op grond waarvan zij elkaar moeten bijstaan in het naleven van hun verdragsverplichtingen. Door
tussen te komen in dit geding voldoet de Staat aan die samenwerkingsplicht. Verder is meegewogen
dat Blasket haar conclusie van antwoord met producties zelf ook laat heeft ingediend, de incidentele
conclusie tot tussenkomst in omvang beperkt is en Blasket al grotendeels bekend was met de
standpunten van de Staat. Overigens heeft de Staat weinig spreektijd nodig gehad om zijn
standpunten nader toe te lichten.
2 De feiten
2.1.
[Page 4]
In 2016 maakt Eurus Energy Holdings Corporation (hierna: Eurus), een vennootschap naar het recht
van Japan, bij het International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID) een
arbitragegeding aanhangig tegen Spanje (ICSID Case No. [dossiernummer] ). Het betreft een
investeringsarbitrage over de wijziging van een stimuleringsregeling voor producenten van
hernieuwbare energie. Meer specifiek gaat het om de versobering met terugwerkende kracht van een
Spaanse subsidieregeling, op grond waarvan investeerders in, onder andere, windparken een hogere
vergoeding kregen voor opgewekte stroom. Eurus stelt dat Spanje met die wijziging zijn verplichting
tot eerlijke en billijke behandeling uit hoofde van artikel 10 EHV2 heeft geschonden en vordert
schadevergoeding.
2.2. Conform de regels van het ICSID-verdrag3 wordt een scheidsgerecht samengesteld, bestaande uit
drie arbiters. In een arbitraal tussenvonnis van 17 maart 2021 verklaart het scheidsgerecht zich
bevoegd om van het geschil kennis te nemen en oordeelt het dat Spanje verplichtingen onder het EHV
heeft geschonden. Bij arbitraal eindvonnis van 14 november 2022 (hierna: het eindvonnis) veroordeelt
het scheidsgerecht Spanje tot betaling aan Eurus van 106,2 miljoen aan schadevergoeding en $
4.332.197,16 aan arbitragekosten, te vermeerderen met rente. Het eindvonnis wordt op het punt van
de rente gerectificeerd bij arbitraal rectificatievonnis van 15 mei 2023.
2.3. Spanje verzoekt de secretaris-generaal van het ICSID om vernietiging van de arbitrale vonnissen
omdat 1) het scheidsgerecht zijn bevoegdheden zou hebben overschreden en 2) in het eindvonnis de
gronden zouden ontbreken waarop het is gewezen. Een comité ad hoc wijst het verzoek tot
vernietiging bij arbitraal vonnis van 31 juli 2025 af en veroordeelt Spanje in de kosten van de
vernietigingsprocedure van, omgerekend, 1,6 miljoen.
2.4. Op 12 december 2022 meldt Spanje de betalingsverplichting die voortvloeit uit het eindvonnis op de
voet van artikel 108 lid 3 VWEU bij de Commissie aan als steunmaatregel. De Commissie heeft nog
niet finaal geoordeeld of sprake is van staatssteun en, als dat het geval is, ook nog niet of deze
staatssteun al dan niet verenigbaar is met de interne markt.
2.5. Bij Notice of Assignment van 2 september 2025 deelt Eurus aan Spanje mede dat zij alle rechten,
belangen en voordelen voortvloeiende uit de hiervoor in 2.2. en 2.3. genoemde arbitrale vonnissen
(hierna: de arbitrale vonnissen) op en met ingang van 28 augustus 2025 aan Blasket heeft
overgedragen.
2.6. Bij verzoekschrift van 12 maart 2026 verzoekt Blasket de voorzieningenrechter in de rechtbank Den
Haag om de arbitrale vonnissen ex parte, dus zonder Spanje op te roepen te erkennen en verlof te
verlenen voor de tenuitvoerlegging daarvan in Nederland. Bij beschikking van 19 maart 2026 (hierna:
de beschikking) worden de arbitrale vonnissen erkend en wordt het verlof tot tenuitvoerlegging
verleend.
2.7. Op 20 april 2026 betekent deurwaarder [persoon D] (hierna: de deurwaarder), kantoorhoudende in
[plaats 2], op verzoek van Blasket onder andere een Engelse vertaling van de beschikking aan
Spanje. Het exploot van betekening vermeldt:
"Ten verzoeke van () Blasket () als rechtsopvolger onder bijzondere titel () van Eurus () voor
deze zaak tot aan het uiteinde van de executie van na te melden titel woonplaats kiezende op de
kantoren van gerechtsdeurwaarder [persoon D] aan de [adres 2] te [plaats 2] ()Heb ik, [persoon D] , gerechtsdeurwaarder ()
AAN:
De publiekrechtelijke rechtspersoon Het Koninkrijk Spanje, zonder bekende woonplaats of bekend
werkelijk verblijf in Nederland,
[Page 5]
1) in de hierna te noemen arbitrale titel woonplaats gekozen hebbende aan het adres van haar
juridische dienst (Abogacía General del Estado - Departamento de Arbitrajes Internationales), te c/
Marqués de la Ensenada, 14-16, 2a planta 28004, Madrid, Spanje,en
2) kantoorhoudende aan het kantooradres van de minister-president van Spanje mr. Pedro Sánches
Pérez-Castejón, [adres 3], [postcode 2] [plaats 3], Spanje,mitsdien conform art. 56 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en in mijn
hoedanigheid van verzendende instantie als bedoeld in de Verordening (EU) nr. 2020/1784 van het
Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de
lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (EU
Betekeningsverordening) mijn exploot doende door verzending per post van heden van twee
afschriften voor ieder der voornoemde adressen van dit exploot en een vertaling daarvan in de Engelse
en Spaanse taal inclusief bijlagen, aan de ontvangende instantie in Spanje, te weten aan:
Servicio de Registro y Reparto Tribunal de Instancia de Madrid ()aan welke ontvangende instantie ik heb verzocht die stukken aan het Koninkrijk Spanje te betekenen
()BETEKEND:
een in executoriale vorm uitgegeven grosse van een beschikking d.d. 19 maart 2026, gegeven door de
voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag, in de zaak tussen Blasket Renewable Investments
LLC en Het Koninkrijk Spanje, waarbij verlof is verleend om tot tenuitvoerlegging over te gaan in
Nederland van het arbitrale tussenvonnis d.d. 17 maart 2021, het arbitrale eindvonnis d.d. 14
november 2022, rectificatievonnis d.d. 15 mei 2023 en het vernietigingsvonnis d.d. 31 juli 2025,
gewezen door de International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID), bekend onder
zaaknummer ICSID Case No. [dossiernummer];Voorts heb ik ()
BEVEL GEDAAN:
om BINNEN TWEE DAGEN NA HEDEN aan de ten deze betekende titel te voldoen en mitsdien aan
mij, (toegevoegd) gerechtsdeurwaarder, als houder der stukken, voor en ten behoeve van mijn
rekwirant(e) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
hoofdsom (Award) 106.200.000,00 proceskosten (Award) $ 4.332.197,16 proceskosten (Rectification) $ 95.816,76 proceskosten (Rectification) ¥ 8.435.421,33 proceskosten (Decision on Annul-ment $ 1.720.430,73 proceskosten (Decision on Annul-ment ¥ 1.740.779 proceskosten (Decision on Annul-ment 2.288,04 rente conform titel p.m. kosten van dit exploot 136,71 Totaal behoudens p.m.: 106.202.424,75 $ 6.148.444,65 ¥ 10.176.200,33 ()"
[Page 6]
2.8. Bij e-mail van 23 april 2026 schrijft een senior juridisch medewerker van het Ministerie van Veiligheid
en Justitie (hierna: het ministerie) aan de deurwaarder dat er op basis van de door de deurwaarder
verstrekte informatie geen volkenrechtelijke bezwaren bestaan tegen de betekening aan Spanje van de
beschikking en de arbitrale vonnissen. Daarbij wijst die medewerker erop dat een nieuwe kennisgeving
moet plaatsvinden voordat daadwerkelijk executiemaatregelen worden getroffen.
2.9. Op 24 april 2026 legt de deurwaarder executoriaal beslag (hierna: het beslag) op het pand aan het
[adres 1] in [plaats 1] (hierna: het pand). Het pand is eigendom van Spanje, maar wordt gebruikt
door Instituto Cervantes (hierna: Cervantes). In het exploot van beslaglegging staat dat Blasket tot
aan het uiteinde van de executie woonplaats ten kantore van de deurwaarder kiest. De deurwaarder
betekent het beslagexploot dezelfde dag aan Spanje. Bovenaan dit exploot van overbetekening staat
het tijdstip 11:01.07 uur.
Bij e-mail van dezelfde dag, om 11:01 uur, schrijft de deurwaarder aan het ministerie dat hij de
executie van de titel zal aanvangen.
2.10. Bij brieven van 18 mei 2026 verzoekt Spanje zowel Blasket als de deurwaarder om het beslag
onmiddellijk op te heffen en alle verdere executiemaatregelen te staken. Volgens Spanje zijn het
beslag en de executie om twee redenen onrechtmatig en onverenigbaar met het internationale recht.
Spanje noemt als eerste reden dat het pand op grond van het internationaal gewoonterecht immuniteit
van executie geniet. De tweede reden die Spanje geeft is dat de tenuitvoerlegging van het eindvonnis
onrechtmatige staatssteun oplevert. Daarbij wijst Spanje erop dat de Commissie bij besluit van 10
november 20174 heeft geoordeeld dat elke in arbitrage toegekende schadevergoeding op grond van de
wijziging van de stimuleringsregeling (zie 2.1.) staatssteun vormt. Volgens Spanje brengt dit met zich
dat de betaling van schadevergoeding op grond van het eindvonnis onderworpen is aan voorafgaande
goedkeuring door de Commissie en, in afwachting daarvan, onder de standstill-verplichting van artikel
108 lid 3 VWEU valt die de uitbetaling ervan verbiedt.
2.11. Bij brief van 19 mei 2026 laat Blasket aan Spanje weten dat zij geen aanleiding ziet om het beslag
op de heffen en doende is om de veiling van het pand voor te bereiden. Volgens Blasket zijn de
arbitrale vonnissen onherroepelijk en verplicht internationaal recht, waaronder het ICSID-verdrag,
Spanje tot nakoming daarvan.
2.12. Op 29 mei 2026 zegt een senior juridisch adviseur namens de Staatssecretaris van Justitie en
Veiligheid de deurwaarder mondeling aan dat het beslag in strijd is met de volkenrechtelijke
verplichtingen van de Staat en aanstonds moet worden opgeheven. Op 4 juni 2026 wordt een daartoe
strekkende, op 3 juni 2026 gedateerde, aanzegging op grond van artikel 3a lid 2 Gwd in de
Staatscourant gepubliceerd.
2.13. Bij proces-verbaal van 8 juni 2026 vervoegt de deurwaarder zich bij de voorzieningenrechter in de
rechtbank Midden-Nederland met de vraag of de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen
doorgang mag vinden. De mondelinge behandeling van de hiermee ingeleide procedure staat gepland
op 7 september 2026.
3 Het geschil
in conventie
3.1. Spanje vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te
verklaren vonnis:
[Page 7]
primair:
3.2. Blasket voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter, afwijzing van
de vorderingen dan wel hooguit toewijzing van de minst verstrekkende vordering, waarbij de uitkering
door de deurwaarder na de executieverkoop van het pand wordt geschorst althans de executie alleen
ten aanzien van het pand wordt geschorst waarbij wordt bepaald dat een schorsing pas ingaat nadat
goederen zijn aangewezen waarop verhaal mogelijk is. Voor het geval het beslag wordt opgeheven,
verzoekt Blasket om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren dan wel aan een uitvoerbaar
bij voorraadverklaring de voorwaarde te verbinden dat Spanje voor een door de voorzieningenrechter
te bepalen bedrag zekerheid stelt.
3.3. De Staat vordert opheffing van het beslag, met veroordeling van Blasket in de kosten van het geding,
te vermeerderen met rente.
in reconventie
3.4. Blasket vordert dat de voorzieningenrechter, voor zover zij zich bevoegd acht, bij uitvoerbaar bij
voorraad te verklaren vonnis Spanje, onder oplegging van een dwangsom van 1 miljoen per dag,
veroordeelt om binnen veertien dagen na dit vonnis goederen aan te wijzen waarop binnen acht
maanden effectief verhaal kan worden genomen in Nederland en die een waarde vertegenwoordigen
van ten minste 50 miljoen.
3.5. Spanje voert verweer en concludeert tot onbevoegdheid van de voorzieningenrechter dan wel
afwijzing van de vordering.
3.6. Blasket vordert daarnaast dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis
de EU veroordeelt om:
3.7. Bij als akte aangeduide brief van 29 juni 2026 heeft Blasket bezwaar gemaakt tegen de door de Staat
gevorderde tussenkomst. Zij heeft daarin een eis in reconventie tegen de Staat opgenomen voor het
geval de tussenkomst werd toestaan. Hierop wordt in de beoordeling teruggekomen.
[Page 8]
[Page 9]
4 De beoordeling
in conventie
voorzieningenrechter is (relatief) bevoegd
4.1. Blasket heeft een bevoegdheidsverweer opgeworpen. Zij stelt dat op grond van artikel 1 lid 4 ICSID-
uitvoeringswet5 de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland exclusief (relatief)
bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen.
4.2. Artikel 54 lid 3 ICSID-verdrag bepaalt dat de tenuitvoerlegging van onder het ICSID-verdrag gewezen
arbitrale vonnissen wordt beheerst door het recht van de staat op wiens grondgebied de
tenuitvoerlegging wordt verlangd. Op grond van artikel 1 lid 4 ICSID-uitvoeringswet worden geschillen
over de tenuitvoerlegging voor de rechter van de plaats van de tenuitvoerlegging gebracht of, indien in
verschillende arrondissementen ten uitvoer wordt gelegd, voor een van deze rechters.
4.3. Blasket wil de arbitrale vonnissen in Nederland ten uitvoer leggen. Daartoe heeft zij verlof gekregen
van de Haagse voorzieningenrechter (zie 2.6.). Overeenkomstig artikel 502 lid 4 Rv en artikel 504 lid 1
sub d Rv in combinatie met artikel 439 lid 3 Rv heeft Blasket bij het bevel aan Spanje om binnen twee
dagen aan de arbitrale vonnissen te voldoen (zie 2.7.) en in het exploot van beslaglegging (zie 2.9.)
tot het uiteinde van de executie woonplaats ten kantore van de deurwaarder gekozen.
Anders dan Blasket betoogt, mag de voorzieningenrechter haar bevoegdheid op die (wettelijk
verplichte) woonplaatskeuze baseren. Uit artikel 1 lid 4 ICSID-uitvoeringswet blijkt niet dat de rechter
van de plaats van tenuitvoerlegging exclusief bevoegd is. Spanje betoogt terecht dat de ICSID-
uitvoeringswet de meervoudige bevoegdheid van artikel 438 Rv onverlet laat. Artikel 54 lid 3 ICSID-
verdrag verwijst voor de tenuitvoerlegging naar het recht van de staat op wiens grondgebied de
tenuitvoerlegging wordt verlangd, in dit geval Nederland. Naar Nederlands recht is ook de rechter
bevoegd van de plaats waar de gedaagde woonplaats heeft gekozen (artikel 438 lid 1 Rv in combinatie
met artikel 99 Rv en artikel 1:15 BW). Daar komt nog bij dat de plaats van tenuitvoerlegging niet
beperkt is tot de plaats van beslaglegging. De executie vangt op grond van artikel 502 lid 1 Rv aan
met een bevel om binnen twee dagen aan de executoriale titel te voldoen. De plaats van
tenuitvoerlegging omvat daarmee ook de plaats waar de deurwaarder die het bevel heeft gedaan zijn
kantoor houdt. Omdat de deurwaarder kantoor houdt binnen het arrondissement van deze rechtbank,
verklaart de voorzieningenrechter zich in conventie (relatief) bevoegd om van dit geschil kennis te
nemen.
spoedeisend belang
4.4. Spanje heeft een spoedeisend belang bij haar vorderingen, aangezien Blasket het pand middels een
executieveiling wenst te verkopen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Blasket laten weten dat
zij de uitkomst van dit kort geding afwacht voordat zij de executie (verder) voortzet.
Blasket heeft executiebevoegdheid
4.5. Spanje stelt dat Blasket geen executiebevoegdheid heeft, omdat de artikelen 53 en 54 ICSID-verdrag
en artikel 15 EHV in de weg staan aan de overdracht van de vorderingen uit de arbitrale vonnissen
Volgens Blasket bestaat in dit executiegeschil geen ruimte meer voor een discussie over de geldigheid
van de cessie, omdat de Haagse voorzieningenrechter hier bij het geven van de beschikking al over
heeft beslist. Daarnaast wijst Blasket erop dat het ICSID-verdrag en het EHV de overdracht van
vorderingen uit arbitrale vonnissen niet uitdrukkelijk uitsluiten.
[Page 10]
4.6. De voorzieningenrechter overweegt dat in de beschikking, die na het wijzen van de arbitrale
vonnissen ex parte is gegeven, niet uitdrukkelijk is beslist over de rechtsgeldigheid van de overdracht
van de vorderingen uit de arbitrale vonnissen. In die beschikking ligt evenmin een impliciet oordeel
daarover besloten. Dit betekent dat de vraag of Eurus de vorderingen kon overdragen, en zo ja,
rechtsgeldig heeft overgedragen, in dit kort geding moet worden beantwoord. De voorzieningenrechter
beantwoordt die vraag bevestigend. Anders dan Spanje betoogt, verbieden het ICSID-verdrag en het
EHV cessie van een vordering op grond van een arbitraal vonnis niet (uitdrukkelijk). Artikel 53 lid 1
ICSID-verdrag bepaalt dat de uitspraak bindend is voor “the parties” en “each party" de uitspraak
moet nakomen. Artikel 54 lid 2 ICSID-verdrag schrijft voor dat "a party seeking recognition or
enforcement" een door de secretaris-generaal van het ICSID gewaarmerkt afschrift van de beslissing
aan het bevoegde gerecht moet overleggen. Hierin staat dus hier niet dat een cessie zoals hier aan de
orde, niet kan of mag. Daar komt bij dat in "a party seeking recognition or enforcement” ook een
cessionaris kan worden gelezen. Het EHV verzet zich evenmin tegen overdracht. Partijen zijn het
erover eens dat artikel 15 EHV ziet op subrogatie en dat in dit geval (de rechtsgeldigheid van) een
cessie van een vordering uit een arbitraal vonnis aan de orde is. De omstandigheid dat de cessie niet
in het EHV geregeld is, rechtvaardigt niet de conclusie dat rechten die voortvloeien uit arbitrale
vonnissen niet mogen worden overgedragen.
Hoewel Spanje stelt dat hij de integrale tekst van de overeenkomst van cessie niet heeft ontvangen of
heeft kunnen inzien en op de overeenkomst van cessie Engels recht van toepassing lijkt te zijn, heeft
de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de rechtsgeldigheid daarvan te twijfelen. Spanje
heeft daartoe immers geen concrete feiten of omstandigheden gesteld. Daar komt bij dat Spanje de
cessie tijdens de mondelinge behandeling verder onbesproken heeft gelaten en erop heeft gewezen
dat hij zijn vorderingen op andere gronden baseert. Daarmee lijkt hij zijn stelling dat Blasket niet tot
tenuitvoerlegging bevoegd is, te hebben laten varen.
beslag nietig: grosse beschikking niet betekend
4.7. Spanje stelt dat het beslag nietig is, omdat Blasket heeft nagelaten om de grosse van de beschikking
en het eindvonnis aan Spanje te betekenen. Volgens Blasket is er bij de betekening niets misgegaan.
De deurwaarder heeft haar laten weten de stukken correct te hebben betekend en Blasket heeft geen
reden om daaraan te twijfelen. Het exploot van betekening vermeldt welke stukken zijn betekend en is
een authentieke akte met dwingende bewijskracht. Als er al iets mis zou zijn gegaan, rechtvaardigt dat
niet de conclusie dat het beslag nietig is dan wel dat opheffing daarvan geboden is.
4.8. Spanje en Blasket hebben het exploot van betekening beide als productie in het geding gebracht.
Achter het door Spanje overgelegde exploot (productie 2 bij dagvaarding) zit een Engelse vertaling van
de beschikking met daarop de handtekeningen van de Haagse voorzieningenrechter en de griffier en
een grossestempel. Ook staat op het stuk "In the name of the King". Voorafgaand aan de mondelinge
behandeling heeft de voorzieningenrechter aan Blasket laten weten dat zij het origineel van de
Engelstalige grosse van de beschikking ter zitting wilde zien. Tijdens de mondelinge behandeling
hebben de advocaten van Blasket laten weten dat er geen Engelstalige grosse is. Zij hebben verklaard
dat het stuk een Engelse vertaling van de verlofbeschikking betreft waarop een grossestempel is
geplakt.
4.9. Het exploot van betekening vermeldt slechts dat een grosse wordt betekend, meer niet (zie 2.7.). Het
exploot vermeldt niet welke stukken daarnaast aan Spanje zijn betekend. De deurwaarder heeft in het
exploot geen feitelijke vaststelling gemaakt van de stukken die hij bij het exploot heeft gevoegd en
evenmin van de stukken die hij in de envelop aan de ontvangende instantie in Spanje heeft gestopt.
Daarvan levert het exploot, hoewel het een authentieke akte is, dus geen dwingend bewijs op. Dat
betekent dat de voorzieningenrechter niet met zekerheid kan vaststellen welke stukken aan de
ontvangende instantie zijn gezonden. Zij acht echter voldoende aannemelijk dat het door Spanje
overgelegde exploot en de bijlagen de stukken betreffen die aan Spanje zijn betekend, ook omdat
Blasket dit niet voldoende gemotiveerd betwist. Blasket heeft zelf ook geen kopie van de betekende
bijlagen in het geding gebracht. Voor de verdere beoordeling wordt daarom uitgegaan van de door
Spanje als productie 2 overgelegde betekeningsstukken.
[Page 11]
4.10. Artikel 430 lid 3 Rv schrijft voor dat de grossen van in Nederland gewezen beschikkingen niet ten
uitvoer kunnen worden gelegd dan na betekening aan de partij tegen wie de executie zich zal richten.
In dit geval is aannemelijk dat de grosse van de beschikking niet aan Spanje is betekend. Bij de door
Spanje in het geding gebrachte stukken ontbreekt namelijk de, originele, grosse van de beschikking.
Het Engelstalige stuk is geen grosse. Het is hooguit een vertaling van de grosse, maar geen officiële.
De vertaling is namelijk niet door een beëdigd vertaler gemaakt, zo moet worden afgeleid uit het
ontbreken van een stempel en handtekening van de vertaler. Het stuk is bovendien een knip- en
plakwerkje. Het betreft namelijk geen gewaarmerkte kopie van de uitspraak van de rechter, maar een
vertaling van de beschikking waarop, naar de advocaten van Blasket ter zitting hebben verklaard, een
kopie van de grossestempel die op de Nederlandse beschikking was gezet is geplakt. Overigens
constateert de voorzieningenrechter, mede aan de hand van de originele grosse (productie 5 van
Blasket) dat dit laatste ook gebeurd moet zijn met de handtekeningen van de rechter en de griffier.
Een en ander leidt tot het oordeel dat niet voldaan is aan de eisen van artikel 430 Rv en dat maakt de
tenuitvoerlegging nietig.
4.11. Blasket heeft er, in reactie op het nietigheidsbetoog, op gewezen dat vormfouten indachtig het
beginsel van de deformalisering geen fatale consequenties behoren te hebben als degene voor wie het
exploot bedoeld is niet heeft aangetoond dat hij in enig belang is geschaad. Spanje heeft dit volgens
Blasket niet aangetoond. Spanje was, zo meent, Blasket, ook al bekend met de betalingsverplichtingen
op grond van de arbitrale vonnissen.
Het betoog van Blasket slaagt niet. De voorzieningenrechter overweegt dat de beschikking ex parte,
dus zonder Spanje op te roepen, is gegeven en dat het verlof op verzoek van een andere partij dan
Eurus is verleend. Door de grosse van de beschikking niet te betekenen, is Spanje wel degelijk in zijn
belang geschaad. Spanje heeft immers geen kennis kunnen nemen van het originele verlof en hoefde
geen genoegen te nemen met de Engelstalige stuk, dat, zoals hiervoor reeds overwogen, het karakter
van een knip- en plakwerkje heeft. Daar komt nog bij dat ook niet met voldoende mate van zekerheid
vastgesteld kan worden dat het eindvonnis aan Spanje is betekend.6 Blasket heeft gesteld dat zij ook
uit hoofde van het vernietigingsvonnis een aanzienlijke vordering op Spanje heeft. Daarmee miskent
zij echter dat de grosse van de beschikking aan Spanje had moet worden betekend omdat dit de
kapstok vormt voor de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen, waaronder het
vernietigingsvonnis.
4.12. De voorzieningenrechter overweegt op dit punt ten slotte dat er nog meer niet overeenkomstig de
toepasselijke regels is gegaan. Op grond van artikel 3a lid 1 Gdw stelt de deurwaarder die opdracht
ontvangt tot het verrichten van een ambtshandeling, indien hij redelijkerwijs rekening moet houden
met de mogelijkheid dat het verrichten daarvan in strijd is met de volkenrechtelijke verplichtingen van
de Staat, de minister aanstonds in kennis van de ontvangen opdracht. In dit geval lijkt de deurwaarder
die kennisgeving niet te hebben gedaan voordat beslag werd gelegd, maar op het moment van
overbetekening van het beslagexploot. De kennisgeving en het exploot van overbetekening vermelden
namelijk dezelfde datum en tijd, te weten 24 april 2026 om 11:01 uur (zie 2.9.). De deurwaarder heeft
daarmee niet alleen in strijd gehandeld met artikel 3a lid 1 Gdw, maar heeft ook de instructie van het
ministerie (zie 2.8.) in de wind geslagen. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat
in het exploot van betekening aan Spanje van de aanzegging tot opheffing van het beslag (productie
31 van Spanje) een datum en de naam van de deurwaarder ontbreken.
inbreuk op immuniteit van executie
4.13. Spanje stelt dat het pand naar internationaal recht immuniteit van executie geniet en dat Blasket
hier met het beslag inbreuk op maakt. De Staat onderschrijft dit en heeft Blasket hier ook op gewezen
in de aanzegging tot opheffing van het beslag (zie 2.12.).
4.14. Volgens Blasket kan een beroep op immuniteit van executie geen excuus vormen voor wanbetaling.
Blasket stelt dat het pand geen immuniteit van jurisdictie geniet, omdat het pand wordt gebruikt als
commerciële evenementenlocatie en voor taallessen tegen marktconforme tarieven. Door te beweren
dat het pand feitelijk uitsluitend in gebruik is voor niet-commerciële overheidsdoeleinden, meent
[Page 12]
Blasket dat Spanje de voorzieningenrechter onjuist en onvolledig heeft voorgelicht en niet aan zijn
stelplicht heeft voldaan.
4.15. Voor eigendommen van vreemde staten, zoals het pand, geldt het volkenrechtelijke uitgangspunt
van immuniteit van executie. Dit houdt in dat geen beslag kan worden gelegd op de eigendommen van
vreemde staten, tenzij het goederen betreft die niet worden gebruikt of bestemd zijn voor publieke
doeleinden. Dit strookt met artikel 19 sub c VN-Verdrag7, dat, hoewel het verdrag nog niet in werking
is getreden en door Nederland nog niet is geratificeerd, valt aan te merken als een regel van
internationaal gewoonterecht. Artikel 19 sub c VN-Verdrag bepaalt dat executoriaal beslag is
toegestaan wanneer is komen vast te staan dat het beslagobject "is specifically in use or intended for
use by the State for other than government non-commercial purposes".
Het ligt op de weg van de partij die zich beroept op de uitzondering op immuniteit van executie om
gegevens aan te dragen aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat het betreffende goed niet
wordt gebruikt of bestemd is voor publieke doeleinden.
4.16. In het Samruk-arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de immuniteit van executie niet beperkt is
tot goederen waarvan de onmiddellijke bestemming een publieke is.8 Daarbij is in het midden gelaten
welk criterium dan wel moet worden toegepast. In de feitenrechtspraak van na dit arrest wordt niet
langer (uitsluitend) de onmiddellijke bestemming bepalend geacht.9 Daarin lijkt het erom te draaien
dat de schuldeiser aantoont dat er ook geen uiteindelijke, publieke bestemming is. Daarmee wordt
bedoeld dat de opbrengst van de activiteiten niet op enig moment wordt gebruikt voor
staatsdoeleinden, maar uitsluitend wordt aangewend voor commerciële activiteiten.
4.17. Niet in geschil is dat het pand eigendom is van Spanje en bij wet is toegewezen aan Cervantes.
Cervantes is een publiekrechtelijke instelling zonder winstoogmerk, opgericht bij Spaanse wet nr.
7/1991 en nader geregeld bij Spaans koninklijk besluit 1526/1999. Op grond hiervan valt Cervantes
onder het Spaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en heeft het als wettelijke doelstelling het
onderwijs, de studie en het gebruik van de Spaanse taal te bevorderen en bij te dragen aan de
verspreiding van de Spaanse cultuur in het buitenland. De daarmee samenhangende activiteiten
waaronder het organiseren van taalcursussen, het afnemen van toetsen voor officiële taalcertificering,
het uitvoeren van culturele activiteiten en het bevorderen van onderzoek en onderwijs in de Spaanse
taal zijn in artikel 3 van voornoemde Spaanse wet expliciet omschreven als instrumenten van het
externe optreden van Spanje.
De voorzieningenrechter volgt Spanje en de Staat in hun stelling dat de activiteiten een uitoefening
van Spaanse overheidsfuncties vormen, wat impliceert dat het pand uiteindelijk wordt aangewend voor
publieke doeleinden. De omstandigheid dat het pand aan derden wordt verhuurd voor concerten,
bioscoopavonden, wijnproeverijen en politieke bijeenkomsten en ook wordt gebruikt voor commerciële
(Spaanse) taalcursussen maakt dit niet anders. Spanje en de Staat hebben immers toegelicht dat de
opbrengsten daarvan toekomen aan Cervantes en ten goede komen aan de publieke taakuitoefening
van Cervantes. Daarmee wordt alsnog een publieke bestemming gediend. Daar komt bij dat een deel
van de activiteiten, gelet op het karakter daarvan, ook feitelijk bijdraagt aan de bevordering van het
onderwijs, de studie en het gebruik van de Spaanse taal en de verspreiding van de Spaanse cultuur in
Nederland.
4.18. Uit het vorenstaande volgt dat Blasket er niet in is geslaagd om aan te tonen dat er geen
uiteindelijke, publieke bestemming is. Dit leidt tot de conclusie dat het pand immuniteit van executie
geniet en dat het beslag daar inbreuk op maakt.
opheffing beslag
4.19. De (voorlopige) oordelen dat de tenuitvoerlegging door Blasket nietig is en dat met het beslag
inbreuk wordt gemaakt op immuniteit van executie geven aanleiding tot ingrijpen in de executie.
Daarbij wordt opgemerkt dat de nietigheid van de tenuitvoerlegging niet van rechtswege werkt. De
voorzieningenrechter heeft niet de bevoegdheid om de nietigheid uit te spreken, maar kan het beslag
op grond van artikel 438 Rv opheffen.
[Page 13]
4.20. De voorzieningenrechter ziet geen reden om, zoals Blasket heeft verzocht, voor een minder
verstrekkende maatregel te kiezen en de executie te schorsen. Hoewel kan worden gedebatteerd over
de vraag of de standstill-bepaling in artikel 108 lid 3 VWEU dwingt tot opheffing of hooguit schorsing
van de executie in afwachting van de beslissing van de Commissie, brengen de nietigheid van de
tenuitvoerlegging en inbreuk van het beslag op de immuniteit van executie met zich dat opheffing van
het beslag is geboden. Daar komt bij dat, anders dan Blasket lijkt te betogen, het scheidsgerecht in
het arbitrale tussen- en eindvonnis niet over de tenuitvoerlegging heeft beslist. De beslissing tot
opheffing wordt, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De voorzieningenrechter
overweegt hierover dat een uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring past bij het treffen van een
voorziening in kort geding waarvoor een spoedeisend belang is aangenomen. Overigens heeft de
voorzieningenrechter de ambtshalve bevoegdheid om een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,
wat een bewuste keuze van de wetgever is geweest.
geen executieverbod
4.21. Het door Spanje gevorderde verbod om de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen in Nederland
voort te zetten, wordt afgewezen. Spanje heeft deze vordering onvoldoende toegelicht en bovendien
kan na de beslissing van de Commissie een nieuwe situatie ontstaan. Verder heeft Spanje tijdens de
mondelinge behandeling te kennen gegeven dat zij vanwege de aanzegging van de Staat niet vreest
voor een herhaling van zetten.
De gevorderde schorsing van elke vorm van tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen in Nederland
wordt eveneens afgewezen. Niet gebleken is immers dat Blasket andere executiemaatregelen getroffen
heeft, die geschorst kunnen worden.
4.22. In dit verband wordt nog opgemerkt dat de stelling van Blasket dat het staatssteunrecht er niet toe
doet, naar voorlopig oordeel te kort door de bocht is. Bepaald niet uitgesloten is, en Blasket dient daar
rekening mee te houden, dat aan het VWEU, dat ook verdragsrecht is, voorrang toekomt en dat het
Spanje op grond van de standstill-verplichting niet is toegestaan om uitvoering aan de arbitrale
vonnissen te geven.
proceskosten
4.23. Blasket is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten)
van Spanje en de Staat vergoeden. De kosten van het incident worden geacht te zijn verdisconteerd in
de proceskosten van de Staat.
4.23.1. De proceskosten van Spanje worden begroot op:
4.23.2. De proceskosten van de Staat worden begroot op:
4.24. De zowel door Spanje als de Staat gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt
toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
[Page 14]
geen rechtsmacht vordering Blasket op Spanje
4.25. Blasket heeft jegens Spanje een tegenvordering ingesteld onder de voorwaarde dat de
voorzieningenrechter zich bevoegd acht om van het geschil in conventie kennis te nemen. Die
voorwaarde is in vervulling gegaan, zodat de vordering hierna wordt beoordeeld.
4.26. Blasket grondt haar vordering op Spanje op artikel 26 lid 8 EHV. Daarin staat dat elke partij bij het
EHV onverwijld gevolg geeft aan arbitrale vonnissen en zorgt voor de doeltreffende tenuitvoerlegging
van deze vonnissen op haar grondgebied. Volgens Blasket kan op basis hiervan van Spanje worden
gevergd dat hij voor verhaal vatbare goederen aanwijst als bedoeld in artikel 19 sub b VN-Verdrag.
4.27. Spanje heeft vóór alle weren een beroep gedaan op immuniteit van jurisdictie. Dit volkenrechtelijke
uitgangspunt houdt in dat de nationale rechter geen rechtsmacht kan uitoefenen over een soevereine
staat, omdat iedere soevereine staat in beginsel immuniteit bezit. Het uitgangspunt is vastgelegd in de
Europese Overeenkomst14 en het VN-Verdrag. Ten aanzien van het VN-Verdrag gelden de
kanttekeningen die in 4.15. zijn gemaakt.
4.28. Blasket stelt onder verwijzing naar artikel 8 VN-Verdrag dat Spanje zijn immuniteit heeft
prijsgegeven door vrijwillig deel te nemen aan dit kort geding en daarin een algeheel verbod tot
tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen te vorderen. Blasket miskent hiermee dat in geval van
een eis in reconventie afstand van immuniteit niet zomaar kan worden aangenomen. Uit artikel 1 lid 2
sub a en b van de Europese Overeenkomst en artikel 9 lid 1 VN-Verdrag volgt dat ook in geval van een
eis in reconventie een staat immuniteit van jurisdictie toekomt, tenzij 1) de eis in reconventie
voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding of uit de feiten waarop de eis in conventie is gegrond en 2)
de staat niet gerechtigd zou zijn geweest zich te beroepen op immuniteit, indien tegen hem een
afzonderlijk geding zou zijn ingesteld voor de rechter van de andere staat. Aan die vereisten is niet
voldaan. Het geschil in conventie gaat over de tenuitvoerlegging van de arbitrale vonnissen in
Nederland. Dat is, ook al bestaat er wel enige relatie met die tenuitvoerlegging, wezenlijk anders dan
de aanwijzing van voor verhaal vatbare goederen, nog daargelaten dat artikel 26 lid 8 EHV daar geen
concrete grondslag voor biedt. Daarnaast had Spanje zich ook op immuniteit van jurisdictie kunnen
beroepen als Blasket in een afzonderlijk kort geding had gevorderd om voor verhaal vatbare goederen
aan te wijzen. Het vorenstaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter zich onbevoegd verklaart om
van de vordering op Spanje kennis te nemen.
Blasket niet-ontvankelijk in vorderingen tegen de EU
4.29. Blasket heeft ook vorderingen tegen de EU ingesteld. Blasket meent, ook na een vraag daarover van
de voorzieningenrechter, dat de Commissie zich namens de EU in deze procedure vrijwillig als
interveniërende partij heeft gemeld.
Hiermee miskent Blasket dat de Commissie op de voet van artikel 29 lid 2 Vo 2015/1589 als amicus
curiae optreedt en dus geen partij is in dit geding. Dit betekent dat geen vordering tegen de
Commissie kan worden ingesteld. Dat kan ook niet tegen de EU die geen partij is in dit kort geding.
Blasket wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen de EU.
4.30. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat Blasket met haar vorderingen op de EU
eveneens voorbij gaat aan de exclusieve bevoegdheid van de Unierechter. De Commissie heeft erop
gewezen dat alleen de Unierechter, op grond van de artikelen 263, 265, 267 lid 1 sub b en 268 VWEU,
buiten het contractuele domein de handelingen, gedragingen en het nalaten van de Unie-instellingen
controleert.
proceskosten
4.31. Blasket wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van
Spanje vergoeden. De proceskosten worden begroot op 1.284,00 (1.177,00 aan salaris advocaat en
107,00 aan nakosten). Omdat de eis in reconventie niet voortvloeit uit de feiten waarop de eis in
conventie is gegrond, wordt gerekend met het tarief dat geldt voor een gemiddeld kort geding.
[Page 15]
4.32. De Commissie is geen partij in dit kort geding, zodat geen grond bestaat voor een vergoeding van
kosten.
Blasket heeft geen vorderingen tegen de Staat ingesteld
4.33. Blasket heeft in haar akte/brief van 29 juni 2026 (zie 3.7.), in strijd met artikel 6.2 van het Landelijk
procesreglement kort gedingen rechtbanken, geen gronden van haar vorderingen tegen de Staat
genoemd. Aan het begin van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de
tussenkomst toegestaan (zie 1.4.). Daarmee is, strikt genomen, de in de akte/brief genoemde
voorwaarde toelating van de Staat als tussenkomende partij vervuld. Daarop heeft Blasket heeft
vervolgens nagelaten om de eis én de gronden daarvan op de mondelinge behandeling te
overhandigen. Sterker nog, Blasket heeft geen woord gewijd aan de vorderingen tegen de Staat en
daarmee ook niet aan de gronden daarvan. De voorzieningenrechter verbindt daaraan het gevolg dat
de vorderingen als niet-ingesteld moeten worden beschouwd. In de kop van dit vonnis is dit al tot
uitdrukking gebracht.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
5.1. heft op het op 24 april 2026 ten laste van Spanje gelegde beslag op de onroerende zaak
(bedrijvigheid), staande en gelegen te [postcode 1] [plaats 1] aan het [adres 1], kadastraal bekend
als gemeente [plaats 1], sectie [sectie), nummer [perceelnummer],
5.2. veroordeelt Blasket in de proceskosten van Spanje van 2.841,94, te vermeerderen met de wettelijke
rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag
van volledige betaling,
5.3. veroordeelt Blasket in de proceskosten van de Staat van 2.101,00, te vermeerderen met de wettelijke
rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag
van volledige betaling,
5.4. veroordeelt Blasket tot betaling aan de Staat van 98,00 en de kosten van betekening als Blasket niet
tijdig aan de veroordeling in 5.3. voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6. verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen op Spanje,
5.7. verklaart Blasket niet-ontvankelijk in haar vorderingen op de EU,
5.8. veroordeelt Blasket in de proceskosten van Spanje van 1.284,00,
in conventie en in reconventie
[Page 16]
5.9. veroordeelt Blasket tot betaling aan Spanje van 98,00 en de kosten van betekening als Blasket niet
tijdig aan de veroordelingen in 5.2. en/of 5.8. voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10. verklaart de opheffing van het beslag en alle veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
[2971/2009]
1 Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor
toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
2 Verdrag inzake het Energiehandvest, gesloten op 17 december 1994 te Lissabon. Partijen duiden dit
verdrag ook wel aan als ECT.
3 Verdrag van Washington van 18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot
investeringen tussen Staten en onderdanen van andere Staten.
4 EC Besluit 10 november 2017, SA/40348 (2015/NN).
5 Wet houdende aanwijzing van een rechter op grond van artikel 54 van het Verdrag van Washington van
18 maart 1965 inzake de beslechting van geschillen met betrekking tot investeringen tussen Staten en
onderdanen van andere Staten.
6 Volgens Spanje was bij het exploot van 20 april 2026 tweemaal het arbitraal tussenvonnis gevoegd. Dat
volgt ook uit productie 2 van Spanje.
7 Verdrag van de Verenigde Naties betreffende de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun goederen.
8 HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2103 (Samruk), r.o. 3.2.4.
9 Zie Hof Den Haag 14 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:977, r.o. 3.13-3.14, Rb. Den Haag 27 januari
2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:534, r.o. 4.8 en Hof Den Haag 16 november 2021,
ECLI:NL:GHDHA: 2021:2251, r.o. 2.8 en 3.12.
10 Tarief geldend voor complexe zaken.
11 Plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
12 Omdat de tussenkomst van de Staat zich heeft beperkt tot twee, beperkte, geschilpunten, wordt
uitgegaan van het tarief geldend voor gemiddelde zaken.
13 Plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
14 Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten