This HTML version is machine-generated. Always consult the original document.Original document (PDF), opens in new tab

[Page 1]

ECLI:NL:GHDHA:2026:1960
Instantie Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak 09-06-2026
Datum publicatie 22-06-2026
Zaaknummer 200.332.688/01
Rechtsgebieden Civiel recht
Bijzondere kenmerken Hoger beroep
Inhoudsindicatie Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis. Onbevoegdheid scheidsgerecht.
Bilateraal investeringsverdrag tussen de Russische Federatie (RF) en Oekraine
(BIT 1998). Uitleg. Art 31 WW. PrivatBank-, Everest- en Belbek-arresten hof. In
arbitrageprocedure uhv het BIT 1998 hebben Oekrainse investeerders vergoeding
gevorderd van schade geleden als gevolg van onteigening van hun investeringen
na annexatie van de Krim door de RF. Het scheidsgerecht heeft zich bevoegd
verklaard. De RF vordert vernietiging ogv het ontbreken van een geldige
overeenkomst tot arbitrage abi art 1065 lid 1, aanhef en onder a, Rv, waartoe zij
aanvoert dat ttv het verrichten van de investeringen de Krim Oekrains en niet
Russisch grondgebied was en het BIT 1998 dus toepassing mist. Het hof oordeelt
dat het beroep van Oekraine op het bepaalde in art 1052 lid 2 en 1065 lid 2 Rv
(rechtsverwerking) faalt, dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft
verklaard en wijst de vernietigingsvordering af.
Vindplaatsen Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.332.688/01

Arrest van 9 juni 2026

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon naar vreemd recht
de Russische Federatie,
zetelend in Moskou, de Russische Federatie,
hierna te noemen: de Russische Federatie,
eiseres,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

[Page 2]

de vennootschappen naar vreemd recht

  1. LLC Lugzor,
    gevestigd in Kiev, Oekraïne,
  2. LLC Libset,
    gevestigd in Kiev, Oekraïne,
  3. LLC Ukrinterinvest,
    gevestigd in Odessa, Oekraïne,
  4. PJSC DniproAzot,
    gevestigd in Dniprodzerzhinsk, Oekraïne,
  5. LLC Aberon Ltd,

gevestigd in Dnipro, Oekraïne,
hierna te noemen respectievelijk: Lugzor, Libset, Ukrinterinvest, DniproAzot en Aberon, en gezamenlijk:
Lugzor c.s.,
gedaagden,
advocaat: mr. M.B. Krestin, kantoorhoudend in Amsterdam.

1 De zaak in het kort

1.1 Lugzor c.s. zijn bij het Permanente Hof van Arbitrage in Den Haag een arbitrageprocedure begonnen
tegen de Russische Federatie op basis van een tussen Oekraïne en de Russische Federatie gesloten
investeringsverdrag. Volgens Lugzor c.s. zijn hun investeringen op de Krim na de annexatie van de
Krim door de Russische Federatie onteigend in strijd met dit verdrag, en dient de Russische federatie
de schade als gevolg van die onteigening te vergoeden. Het scheidsgerecht heeft een vonnis gewezen
waarin het (onder andere) zich bevoegd heeft verklaard om over de vorderingen van Lugzor c.s. te
oordelen.

1.2 De Russische Federatie heeft nu de plaats van arbitrage in Nederland (Den Haag) is gelegen een
vernietigingsprocedure aanhangig gemaakt voor de Nederlandse (Haagse) rechter. In deze procedure
vordert de Russische Federatie vernietiging van het arbitrale vonnis. Zij voert op verschillende gronden
aan dat het investeringsverdrag in dit geval toepassing mist en dat het scheidsgerecht daarom ten
onrechte bevoegdheid heeft aangenomen. Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat het scheidsgerecht
zich terecht bevoegd heeft verklaard en wijst de vernietigingsvordering af.

2 Verloop procedure

2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:

2.2 Op 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen mr.
J.M.K.P. Cornegoor namens de Russische Federatie hebben daar de zaak toegelicht, mede aan de hand
van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd. Van de mondelinge behandeling is een proces-

[Page 3]

verbaal opgemaakt.

2.3 De datum van de uitspraak is nader bepaald op vandaag.

3 Feitelijke achtergrond

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten vast.

Lugzor c.s.

3.2 Lugzor en Libset zijn in 2011 in Oekraïne en naar Oekraïens recht opgerichte vennootschappen. Ze zijn
geregistreerd op een adres in Kiev, Oekraïne.

3.3 Door middel van een aantal in december 2012 gesloten koopovereenkomsten verkregen Lugzor en
Libset eigendomsrechten op grondpercelen, gebouwen en constructies die een geïntegreerd toeristisch
complex op de Krim vormen (hierna: het Foros Resort). Tot 31 december 2014 verhuurden Lugzor en
Libset het Foros Resort aan een exploitatiemaatschappij.

3.4 In 2003 is Ukrinterinvest in Oekraïne naar Oekraïens recht opgericht. Deze vennootschap is
geregistreerd op een adres in Dnipro, Oekraïne.

3.5 Ukrinterinvest verkreeg in november 2003 de eigendom van een gebouw in Simferopol, op de Krim.
Tot en met 31 december 2014 verhuurde Ukrinterinvest het gebouw en het onderliggende perceel
grond.

3.6 DniproAzot is een in 1996 naar Oekraïens recht opgerichte vennootschap, geregistreerd op een adres
in Dniprodzerzhinsk, Oekraïne.

3.7 DniproAzot was eigenaar van een op de Krim gelegen complex voor kinderen (hierna: het Titov Resort)
dat zij tussen 1996 en 2000 heeft herontwikkeld.

3.8 In 2011 sloot DniproAzot een huurovereenkomst voor het perceel grond van het Titov Resort voor een
periode van 49 jaar.

3.9 Aberon is een in 2005 naar Oekraïens recht opgerichte vennootschap, geregistreerd op een adres in
Dnipro, Oekraïne.

3.10 In 2007 verkreeg Aberon de eigendom van een op de Krim gelegen complex voor kinderen (hierna:
het Yunist Resort).

3.11 Met ingang van juli 2012 verhuurde Aberon het perceel grond van het Yunist Resort voor de duur van
29 jaar.

de gebeurtenissen op de Krim

3.12 De Krim was tot (in ieder geval) 6 maart 2014 onderdeel van Oekraïne.

3.13 Op 6 maart 2014 stemde de Opperste Raad van de Krim voor aansluiting bij de Russische Federatie
als een federaal onderdeel en voor het agenderen van een referendum daarover op 16 maart 2014.

3.14 Op 16 maart 2014 hielden de autoriteiten op de Krim een referendum waarin de bevolking van de
Krim werd gevraagd of zij aansluiting wenste bij de Russische Federatie als federaal onderdeel.
Volgens de organisatoren van het referendum stemde meer dan 95% van de deelnemers voor
aansluiting bij de Russische Federatie.

3.15 Op 17 maart 2014 verklaarde de Opperste Raad van de Krim zich onafhankelijk van Oekraïne met als
doel om een onafhankelijke soevereine staat te worden en de Russische Federatie te verzoeken om
zich bij haar te mogen aansluiten.

3.16 Op 18 maart 2014 ondertekenden de nieuwe autoriteiten van de Republiek de Krim en de de federale
stad Sevastopol enerzijds en de Russische Federatie anderzijds de Treaty between the Russian
Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian
Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation
(hierna: het
Annexatie-verdrag).

3.17 Op 20 en 21 maart 2014 nam het Russische parlement een wet aan waarmee het Annexatie-verdrag
werd geratificeerd.

[Page 4]

3.18 Oekraïne heeft niet erkend dat de Krim onderdeel is gaan uitmaken van de Russische Federatie.

3.19 Op 30 april 2014 vaardigde de Staatsraad van de Krim (het wetgevende orgaan van de Krim) een
decreet uit waarin stond dat all public property (of the State of Ukraine) and all abandoned property
located on the territory of the Republic of Crimea shall be considered as the property of the Republic of
Crimea
(hierna: het April-decreet).

3.20 Op 3 september 2014 vaardigde de Staatsraad van de Krim een decreet uit tot wijziging van het
April-decreet om 111 eigendommen toe te voegen aan de lijst van eigendommen die moeten worden
considered as the property of the Republic of Crimea (hierna: het September-decreet). Het
September-decreet vermeldde ter nationalisatie onder andere de Foros, Titov en Yunist Resorts,
evenals het gebouw van Ukrinterinvest in Simferopol.

3.21 Op 10 september 2014 vaardigde de Staatsraad van de Krim een decreet uit waarmee de lijst van
genationaliseerde eigendommen onder het April-decreet verder werd uitgebreid, onder andere door te
verwijzen naar de kadastrale nummers van de percelen op de twee adressen van het Foros Resort die
waren weggelaten uit het September-decreet.

3.22 Op 11 september 2014 droeg de Ministerraad van de Krim de in het September-decreet (en andere
besluiten van september tot en met november 2014) opgesomde eigendommen, waaronder de
eigendommen van Lugzor c.s., over aan het Uitvoerend Directoraat voor Eigendommen van de
Republiek van de Krim.

3.23 In de periode van februari tot mei 2015 werden de eigendommen van Lugzor, Libset en Aberon
geregistreerd in het Russian Unified Register of Rights to Immovable Property and Transactions
Associated with it
. In de periode van februari tot april 2016 werden hierin ook de eigendommen van
Ukrinterinvest en DniproAzot geregistreerd.

het bilaterale investeringsverdrag (BIT 1998)

3.24 Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie een bilateraal investeringsverdrag
gesloten (in de Engelse vertaling voluit: Agreement Between the Cabinet of Ministers of Ukraine and
the Government of the Russian Federation on the Encouragement and Mutual Protection of
Investments
; hierna: het BIT 1998). Dit verdrag voorziet in bescherming van investeringen
(investments) gedaan door investeerders van de ene lidstaat op het grondgebied (territory) van de
andere lidstaat. De authentieke taalversies van het BIT 1998 zijn in het Russisch en het Oekraïens. Op
27 januari 2000 is het BIT 1998 in werking getreden.

3.25 Enkele relevante bepalingen uit het BIT 1998 luiden in de Engelse vertaling waarvan ook het
scheidsgerecht in beginsel is uitgegaan (arbitraal vonnis, par. 265; tekst overgelegd als productie 6 bij
inleidende dagvaarding) als volgt.

Article 1

Definitions

For the purposes of this Agreement:

1. The term "investments" means any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an
investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its
legislation, including:

a) movable and immovable property, as well as any other related property rights;

b) monetary funds, as well as securities, commitments, stock and other forms of participation;

c) intellectual property rights, including copyrights and related rights, trademarks, rights to inventions,
industrial designs, models, as well as technical processes and know-how;

d) rights to engage in commercial activity, including rights to the exploration,

development and exploitation of natural resources.

Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not affect their nature
as investments, provided that such alteration is not contrary to legislation of a Contracting Party in the
territory of which the investments were made.

2. The term "investor of a Contracting Party" means:

[Page 5]

a) any natural person having the citizenship of the state of that Contracting Party and who is
competent in accordance with its legislation to make investments in the territory of the other
Contracting Party;

b) any legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the
territory of that Contracting Party, provided that the said legal entity is competent in accordance with
legislation of that Contracting Party to make investments in the territory of the other Contracting
Party.

()

4. The term "territory" means the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well
as their respective exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with
international law.

()

Article 2

Encouragement and Protection of Investments

()

2. Each Contracting Party guarantees, in accordance with its legislation, the full and unconditional legal
protection of investments by investors of the other Contracting Party.

Article 5

Expropriation

1. Investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting
Party shall not be expropriated, nationalized or subject to other measures equivalent in effect to
expropriation (hereinafter referred to as "expropriation"), except in cases where such measures are
taken in the public interest under due process of law, are not discriminatory and are accompanied by
prompt, adequate and effective compensation.

()

Article 9

Resolution of Disputes between a Contracting Party and an Investor of the Other
Contracting Party

1. Any dispute between one Contracting Party and an investor of the other Contracting Party arising in
connection with investments, including disputes concerning the amount, terms, and payment
procedures of the compensation provided for by Article 5 hereof, or the payment transfer procedures
provided for by Article 7 hereof, shall be subject to a written notice, accompanied by detailed
comments, which the investor shall send to the Contracting Party involved in the dispute. The parties
to the dispute shall endeavor to settle the dispute through negotiations if possible.

2. If the dispute cannot be resolved in this manner within six months after the date of the written
notice mentioned in paragraph 1 of this article, it shall be referred to:

a) a competent court or arbitration court of the Contracting Party in the territory of which the
investments were made;

b) the Arbitration Institute of the Stockholm Chamber of Commerce;

c) an "ad hoc” arbitration tribunal, in accordance with the Arbitration Regulations of the United Nations
Commission for International Trade Law (UNCITRAL).

3. The arbitral award shall be final and binding upon both parties to the dispute. Each Contracting
Party agrees to execute such award in conformity with its respective legislation.

Article 12

Application of the Agreement

[Page 6]

This Agreement shall apply to all investments made by investors of one Contracting Party in the
territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992.

de arbitrale procedure

3.26 Op 1 juni 2015 hebben Lugzor c.s. een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Permanente
Hof van Arbitrage in Den Haag door de gezamenlijke Notice of Arbitration van 26 mei 2015 aan de
Russische Federatie te laten betekenen.

3.27 Bij brief van 15 september 2015 is namens de Russische Federatie medegedeeld dat de Notice of
Arbitration werd teruggezonden en is het volgende verklaard:

In accordance with paragraph 1 Article 1 of the Agreement the term "investment" means every kind of
movable and immovable and intellectual property invested by an investor of one Contracting Party in
the territory of the other Contracting Party in accordance with the legislation of the latter Contracting
Party. The property in question which is the matter of the

claims is situated in the territory of the Crimea and Sevastopol, i.e. in the territory that was a part of
Ukraine but at the present time pursuant to the will of people forms an integral part of the territory of
the Russian Federation and cannot be regulated by the Agreement.

On the basis of the abovementioned the Russian Federation does not recognize the jurisdiction of an
international tribunal at the Permanent Court of Arbitration in settlement of the abovementioned
claims
(productie 6 bij conclusie van antwoord).

3.28 Tot 5 april 2019 heeft de Russische Federatie niet deelgenomen aan de arbitrageprocedure.

3.29 Op 4 maart 2016 hebben Lugzor c.s. hun Statement of Claim ingediend. Na een latere wijziging
hebben Lugzor c.s. daarin het scheidsgerecht onder andere verzocht

To declare that:

(i) It has jurisdiction over the dispute submitted to it and that the Claimants claims are admissible;

(ii) Russia has violated Article 5 of the Treaty by unlawfully expropriating the Claimants investments:

a) Without public purpose,

b) In a discriminatory manner,

c) Not in accordance with due process of law, and

d) Without payment of prompt and effective compensation (arbitraal vonnis, par. 259).

3.30 Op 27 oktober 2016 heeft het scheidsgerecht aan partijen een lijst met vragen gestuurd,
voornamelijk met betrekking tot de bevoegdheid van het scheidsgerecht en de ontvankelijkheid van
(de vordering van) Lugzor c.s. Op 23 november 2016 besloot het scheidsgerecht tot de splitsing
(bifurcatie) van de arbitrageprocedure. Op 3 februari 2017 benoemde het scheidsgerecht zijn eigen
deskundigen op het gebied van Oekraïens en Russisch recht. Deze deskundigen hebben rapporten
overgelegd, waarop Lugzor c.s. hebben gereageerd.

3.31 De mondelinge behandeling over de bevoegdheid en ontvankelijkheid vond plaats op 16 en 17 juli
2017 in Londen, Verenigd Koninkrijk (de Jurisdiction Hearing). De Russische Federatie is uitgenodigd
om deel te nemen, maar heeft dat niet gedaan.

3.32 Bij brief van 29 augustus 2017 heeft het scheidsgerecht de partijen als volgt geïnformeerd:

Having studied the Parties written and oral submissions and deliberated, the Tribunal wishes to inform
the Parties that, in due course, it intends to render a final award in which it will uphold its jurisdiction
over the dispute submitted to it in this arbitration and find that all of the claims made by the Claimants
in this matter are admissible. In the same final award, the Tribunal will also decide all issues of
responsibility and quantum in this matter. On jurisdiction, the Tribunal will, inter alia, find that the
Russian Federation has assumed obligations under the [Treaty] in respect of the Claimants and their
investments at the latest as of March 21, 2014.

For the sake of efficiency of the proceedings, the Tribunal intends to now complete the phase of
written and oral submissions on questions of responsibility and quantum
(citaat uit arbitraal vonnis,
par. 66).

3.33

[Page 7]

Op 30 november 2017 heeft het scheidsgerecht vragen gesteld aan de partijen over de
aansprakelijkheid en de omvang van de schade. Lugzor c.s. hebben die beantwoord. Op 20 april 2018
benoemde het scheidsgerecht zijn eigen schade-expert, die een deskundigenrapport heeft ingediend.
Lugzor c.s. hebben op dit rapport gereageerd. De Russische Federatie heeft niet gereageerd op de
vragen van het scheidsgerecht en heeft geen stukken ingediend naar aanleiding van het rapport van
de schade-expert.

3.34 De mondelinge behandeling over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade vond plaats van
25 tot en met 27 juni 2018 in het Vredespaleis in Den Haag (de Liability Hearing). Lugzor c.s. hebben
zeven getuigen en twee schade-experts laten horen. De Russische Federatie werd uitgenodigd om deel
te nemen aan de Liability Hearing, maar heeft dat niet gedaan.

3.35 Op uitnodiging van het scheidsgerecht hebben Lugzor c.s. op 24 januari 2019 geactualiseerde
renteberekeningen overgelegd en op 15 februari 2019 hebben zij conclusies met betrekking tot de
proceskosten ingediend. De Russische Federatie heeft geen (proces)stukken in het geding gebracht.

3.36 Bij brief van 5 april 2019 heeft de Russische Federatie te kennen gegeven alsnog te willen deelnemen
aan de arbitrageprocedure en verzocht om toestemming om stukken in het geding te brengen.

3.37 Het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie toegelaten tot de arbitrageprocedure en
toestemming verleend om stukken in te dienen.

3.38 Overeenkomstig het besluit van het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie op 17 oktober 2019
haar Comprehensive Submission ingediend, vergezeld van deskundigenadviezen over Oekraïens recht,
Russisch recht en internationaal recht, drie deskundigenadviezen over de interpretatie van het
verdrag, waaronder de Russische, Oekraïense en Engelse taalversies, en twee schaderapporten.

3.39 In haar Comprehensive Submission heeft de Russische Federatie onder andere verzocht dat het
scheidsgerecht een vonnis zal wijzen (i) Declaring that the Tribunal lacks jurisdiction in respect of this
dispute and/or that the Claimants claims are inadmissible
(arbitraal vonnis, par. 261).

3.40 Op 10 april 2020 hebben de Lugzor c.s. hun Rebuttal Submission ingediend.

3.41 Een derde en laatste mondelinge behandeling werd digitaal gehouden van 3 tot en met 7 mei 2021
(Final Hearing). De Russische Federatie heeft daaraan volledig deelgenomen. Ze werd
vertegenwoordigd door haar raadslieden.

3.42 Op 4 oktober 2022 heeft het scheidsgerecht zijn arbitraal vonnis uitgesproken, gecorrigeerd bij
vonnis van 2 december 2022. Waar hierboven is en hieronder wordt gerefereerd aan het arbitraal
vonnis (enkelvoud), wordt daarmee gedoeld op het gecorrigeerde vonnis van 2 december 2022.

3.43 Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat aan alle jurisdictional requirements van art. 9 in verbinding
met art. 1(1), 1(2) en 1(4) BIT 1998 (arbitraal vonnis, par. 469) is voldaan en dat het dus
bevoegdheid heeft:

11. Conclusion on jurisdiction and admissibility

605. Based on the above, the Tribunal finds that each Claimant is a Ukrainian investor in the sense of
the Treaty; that there exists a dispute between each Claimant and the Respondent; that each dispute
arises in connection with the Claimants investments, which are investments in the sense of the Treaty;
that each Claimant sent the Respondent a written notice of dispute, accompanied by sufficiently
detailed comments; that the Claimants made an effort to settle the dispute through negotiations but
that those attempts were futile; and that more than six months passed between the notices of dispute
and the commencement of the arbitration.

606. In addition, the Tribunal finds that the Claimants investments fall within the scope of the Treaty
as set out in Article 12 thereof and that no other arguments presented by the Respondent have the
capacity to affect the Tribunals jurisdiction.

607. With all conditions for its jurisdiction fulfilled as outlined above, the Tribunal therefore concludes
that it has jurisdiction.

3.44 De beslissing (Decision) in par. 1053 van het arbitraal vonnis houdt het volgende in:

[Page 8]

1. FINDS that the Tribunal has jurisdiction over the Claimants claims under the Treaty;

2. FINDS that the Claimants claims are admissible;

3. DECLARES that the Russian Federation has breached Article 5 of the Treaty in respect of the
Claimants investments ().

Het scheidsgerecht heeft verder de Russische Federatie veroordeeld tot betaling van USD
53.823.000,-- aan Lugzor en Libset, USD 1.429.000,-- aan DniproAzot, USD 4.194.000,-- aan Aberon,
en USD 718.000,-- aan Ukrinterinvest, te vermeerderen met rente, als schadevergoeding. Daarnaast
heeft het scheidsgerecht de Russische Federatie veroordeeld tot betaling to the Claimants EUR
632,362.12 for the costs of the Tribunal, the PCA and the appointing authority and GBP 1,950,911.45
for the Claimants legal and other costs
, eveneens te vermeerderen met rente.

4 Vordering tot vernietiging

4.1 De Russische Federatie vordert dat het hof de arbitrale vonnissen van 4 oktober 2022, zoals
gecorrigeerd op 2 december 2022, vernietigt, met hoofdelijke veroordeling van Lugzor c.s. in de
kosten van het geding.

4.2 Lugzor c.s. concluderen tot afwijzing van de vordering van de Russische Federatie, met veroordeling
van de Russische Federatie in de kosten van het geding, inclusief nakosten en wettelijke rente.

5 Toepasselijk arbitragerecht

5.1 De arbitrageprocedure die tot de arbitrale vonnissen heeft geleid, is door Lugzor c.s. aanhangig
gemaakt bij Notice of Arbitration van 26 mei 2015. Dit brengt mee dat op deze zaak van toepassing is
het Vierde Boek (Arbitrage) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zoals dat sinds 1
januari 2015 geldt (art. IV lid 1 van de Wijzigingswet van 2 juni 2014 (modernisering Arbitragerecht),
Stb. 2014, 200, en het Besluit van 30 juni 2014, Stb. 2014, 254). Ook volgens partijen is dit het in
deze zaak toepasselijke arbitragerecht.

6 Bevoegdheid hof

6.1 Blijkens het arbitrale vonnis heeft het scheidsgerecht een Hearing on the Merits bepaald in Den Haag
die daar op 25 tot en met 27 juni 2018 heeft plaatsgevonden, vond van 3 tot en met 7 mei 2021 de
Final Hearing via een video-conference plaats, en heeft het scheidsgerecht een verzoek van de
Russische Federatie om wijziging van de plaats van arbitrage van Den Haag naar Parijs afgewezen
(par. 67, 94, 167, 177 en 183). Verder is onder de beslissing in het arbitrale vonnis Den Haag als
plaats van arbitrage vermeld. Hieruit volgt dat de vernietigingsvordering terecht is ingesteld bij het
gerechtshof Den Haag en is dit hof bevoegd daarvan kennis te nemen en daarover te oordelen (art.
1037 leden 1 en 2 en art. 1064a lid 1 Rv).

[Page 9]

7 Beoordeling vordering tot vernietiging

vernietigingsvordering en daarvoor aangevoerde gronden

7.1 De Russische Federatie vordert vernietiging van de arbitrale vonnissen op de grond dat een geldige
overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, als bedoeld in art. 1065 lid 1, aanhef en onder a, Rv. Daartoe
voert de Russische Federatie aan dat ten tijde van het verwerven van de onroerende zaken door
Lugzor c.s. de Krim Oekraïens grondgebied was, dat deze investeringen dus niet op het grondgebied
van de Russische Federatie zijn verricht, met als gevolg dat deze investeringen niet onder het bereik
van het BIT 1998 vallen en het geschil over deze investeringen niet onder het bereik van het aanbod
tot arbitrage als geregeld in art. 9 van het BIT 1998.

7.2 Meer in het bijzonder stelt de Russische Federatie zich op het standpunt

i. dat art. 12 van het BIT 1998 expliciet bepaalt dat het verdrag alleen van toepassing is op
investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het grondgebied van de andere
verdragsstaat;

ii. dat ook in de definitie van investeringen in art. 1 lid 1 van het BIT 1998 besloten ligt dat het moet
gaan om investeringen die zijn verricht op het grondgebied van de andere verdragsstaat;

althans

dat deze (onder ii bedoelde) definitie in ieder geval vereist dat het gaat om investeringen die zich
bevinden op het grondgebied van de andere verdragsstaat, zoals dat gebied op 27 november 1998
was.

uitgangspunt bij en aard van de toetsing van de bevoegdheid van het scheidsgerecht

7.3 Ingevolge art. 1020 lid 1 Rv kunnen partijen bij overeenkomst geschillen die tussen hen uit een
bepaalde rechtsbetrekking zijn ontstaan dan wel zouden kunnen ontstaan, aan arbitrage onderwerpen.
Het aldus benoemde scheidsgerecht is gerechtigd te oordelen over zijn bevoegdheid (art. 1052 lid 1
Rv), maar het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat de
beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten, uiteindelijk aan de
rechter is opgedragen. Het fundamentele karakter van dit recht brengt verder mee dat een vordering
tot vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het ontbreken van een overeenkomst tot arbitrage
(art. 1065 lid 1, aanhef en onder a, Rv) door de rechter niet terughoudend wordt getoetst.1

7.4 Bij een bilateraal investeringsverdrag als het BIT 1998, op grond waarvan een onderdaan van een
verdragsluitende staat een geschil tegen de andere verdragsluitende staat aan een scheidsgerecht kan
voorleggen, wordt de verdragsbepaling die dit mogelijk maakt gezien als een aanbod van een staat
aan alle investeerders uit de andere verdragsluitende staat om tussen hen gerezen geschillen voor te
leggen aan een scheidsgerecht. Door de aanvaarding van dat aanbod door de investeerder, door het
aanhangig maken van een arbitrale procedure, komt de overeenkomst tot arbitrage tot stand. Indien
echter moet worden aangenomen dat de voorwaarden waaronder het aanbod tot arbitrage is gedaan
niet zijn vervuld, is geen sprake van een geldige arbitrageovereenkomst.

7.5 Voor de onderhavige zaak betekent dit dat het hof de door de Russische Federatie aangevoerde
gronden volledig moet toetsten door een uitleg van het BIT 1998.

maatstaf voor uitleg van het BIT 1998

7.6 Terecht gaan partijen ervan uit dat de bepalingen van het BIT 1998 moeten worden uitgelegd aan de
hand van de regels van art. 31 en 32 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht2 (het
Weens Verdragenverdrag (WVV)). Deze bepalingen luiden als volgt:

Article 31. General rule of interpretation

1. A treaty shall be interpreted in good faith in accordance with the ordinary meaning to be given to
the terms of the treaty in their context and in the light of its object and purpose.

2. The context for the purpose of the interpretation of a treaty shall comprise, in addition to the text,
including its preamble and annexes:

[Page 10]

(a) any agreement relating to the treaty which was made between all the parties in connexion with the
conclusion of the treaty;

(b) any instrument which was made by one or more parties in connexion with the conclusion of the
treaty and accepted by the other parties as an instrument related to the treaty.

3. There shall be taken into account, together with the context:

(a) any subsequent agreement between the parties regarding the interpretation of the treaty or the
application of its provisions;

(b) any subsequent practice in the application of the treaty which establishes the agreement of the
parties regarding its interpretation;

(c) any relevant rules of international law applicable in the relations between the parties.

4. A special meaning shall be given to a term if it is established that the parties so intended.

Article 32. Supplementary means of interpretation

Recourse may be had to supplementary means of interpretation, including the preparatory work of the
treaty and the circumstances of its conclusion, in order to confirm the meaning resulting from the
application of article 31, or to determine the meaning when the interpretation according to article 31:

(a) leaves the meaning ambiguous or obscure; or

(b) leads to a result which is manifestly absurd or unreasonable.

7.7 Het hof zal bij de beoordeling van de bevoegdheid van het scheidsgerecht op grond van het BIT 1998
deze uitlegregels toepassen.

7.8 Alvorens daartoe over te gaan zal het hof eerst het beroep op rechtsverwerking van Lugzor c.s.
beoordelen.

rechtsverwerking

7.9 Met een beroep op het bepaalde in art. 1052 lid 2 en art. 1065 lid 2 Rv en onder verwijzing naar het
Smit/Ruwa-arrest van de Hoge Raad3 stellen Lugzor c.s. zich op het standpunt dat de Russische
Federatie haar recht heeft verwerkt om voor de onbevoegdheid van het scheidsgerecht in de
onderhavige vernietigingsprocedure (nieuwe) argumenten aan te voeren die zij reeds in de
arbitrageprocedure had kunnen en moeten aanvoeren. Daartoe wijzen Lugzor c.s. erop dat de
Russische Federatie in deze procedure (in haar inleidende dagvaarding, nr. 38-45) voor het eerst
betoogt dat het begrip grondgebied (territory) in art. 1(1) BIT 1998 moet worden geïnterpreteerd als
het grondgebied zoals het was ten tijde van het sluiten van het BIT 1998 toen de Krim Oekraïens
grondgebied was, terwijl zij in de arbitrageprocedure slechts heeft betoogd dat het begrip
grondgebied in art. 1(4) BIT 1998 moet worden uitgelegd als het door beide verdragsstaten erkende
soevereine grondgebied van de gaststaat. De subsidiaire vernietigingsgrond (vergelijk hierboven rov.
7.2, onder iii) kan volgens Lugzor c.s. daarom niet worden aangemerkt als een aanvaardbare
uitwerking van het door de Russische Federatie in de arbitrage opgeworpen bevoegdheidsverweer.

7.10 De Russische Federatie voert hiertegen aan dat haar subsidiaire betoog dat het om het grondgebied
ten tijde van het sluiten van het BIT 1998 gaat, niet meer dan een accentverlegging betreft en dat de
kern daarvan identiek is aan haar vernietigingsverweer in de arbitrageprocedure, namelijk dat de
investeringen van Lugzor c.s. zich niet bevonden op het grondgebied van de Russische Federatie in de
zin van het BIT 1998.

7.11 Naar het oordeel van het hof faalt het beroep op rechtsverwerking op grond van het volgende.

7.12 Art. 1052 lid 2 Rv bepaalt dat een partij die in het arbitraal geding is verschenen, een beroep op de
onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage
ontbreekt, voor alle weren moet doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in
het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen. In het verlengde daarvan
bepaalt lid 2 van art. 1065 Rv dat de in lid 1 onder a bedoelde vernietigingsgrond (dat een geldige
overeenkomst tot arbitrage ontbreekt), in het in art. 1052 lid 2 Rv genoemde geval niet tot
vernietiging van het arbitrale vonnis kan leiden. In het Smit/Ruwa-arrest heeft de Hoge Raad
overwogen dat het samenstel van art. 1052 leden 1 en 2 Rv en art. 1065 lid 1, aanhef en onder a, en

[Page 11]

lid 2 Rv ertoe strekt te bewerkstelligen dat, indien een partij de bevoegdheid van het scheidsgerecht
wil betwisten vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, daarover door het
scheidsgerecht in een vroeg stadium van de procedure een beslissing kan worden genomen, waardoor
zoveel mogelijk wordt voorkomen dat onnodige proceshandelingen zouden worden verricht indien een
later (in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) gedaan beroep op het ontbreken van een
geldige overeenkomst tot arbitrage, alsnog zou moeten leiden tot het oordeel dat het scheidsgerecht
onbevoegd is. Telkens zal in een concreet geval moeten worden beoordeeld of een nieuwe feitelijke of
juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met deze
strekking van de wettelijke regeling. Daarvoor zal onder meer van belang kunnen zijn in welke mate
de nieuwe stelling aansluit bij de eerdere (in het arbitraal geding ingenomen) stellingen.4

7.13 Nadat de Russische Federatie op 5 april 2019 was verschenen in de arbitrageprocedure heeft zij in
haar (eerst ingediende schriftelijke stuk) Comprehensive Submission en tijdens de Final Hearing het
verweer gevoerd dat het scheidsgerecht bevoegdheid miste (arbitraal vonnis, par. 303). Daarmee
heeft de Russische Federatie in het arbitraal geding voor alle weren een beroep op het ontbreken van
een geldige overeenkomst tot arbitrage gedaan.

7.14 Zoals uit de weergave daarvan door het scheidsgerecht in zijn arbitraal vonnis blijkt (par. 308 e.v.),
berustte dit bevoegdheidsverweer op verschillende pijlers. De uitleg van het begrip territory in art.
1(4) BIT 1998 als mutually recognized sovereign territory of one or the other of the Contracting Parties
(arbitraal vonnis, par. 308) was één van die pijlers. In dat kader heeft de Russische Federatie betoogd
dat de tekst van art. 1(4) BIT 1998 bevestigt dat the common intention of the Contracting Parties at
the time of concluding the Treaty was to define “territory” as the sovereign “territory" of one
Contracting Party or the sovereign "territory" of the other Contracting Party
(arbitraal vonnis, par.
322). Dit betoog sluit in zoverre bij de subsidiaire vernietigingsgrond aan dat het bij de uitleg van het
begrip territory in het BIT 1998 volgens de Russische Federatie aankomt op het moment van de
totstandkoming daarvan. Een andere pijler was de uitleg van art. 1(1) BIT 1998 waarin de
investeringen van Lugzor c.s. onder andere niet voldoen aan het vereiste van een investering door een
investeerder van de ene verdragsstaat in the territory of the other Contracting Party. Met het niet
vervuld zijn van dit cross border-vereiste (vergelijk arbitraal vonnis, par. 357 e.v.) heeft de Russische
Federatie in de arbitrageprocedure beoogd te betogen dat de investeringen van Lugzor c.s. niet op
haar grondgebied maar op Oekraïens grondgebied zijn verricht. Ook het (subsidiaire) standpunt van de
Russische Federatie in de vernietigingsprocedure is erop gericht dat de investeringen van Lugzor c.s.
niet grensoverschrijdend zijn (zie hierboven rov. 7.2). Al met al is geen sprake van een nieuwe stelling
in de vernietigingsprocedure die, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met
de in het Smit/Ruwa-arrest bedoelde strekking van de wettelijke regeling.

bevoegdheid van het scheidsgerecht

7.15 Naar het oordeel van het hof heeft het scheidsgerecht zich terecht bevoegd verklaard. Daartoe
overweegt het hof als volgt, waarbij de hierboven in rov. 7.2 genoemde onderwerpen i), ii) en iii)
achtereenvolgens worden besproken.

i) art. 12 BIT 1998

7.16 Art. 12 BIT 1998 bepaalt dat het verdrag shall apply to all investments made by investors of one
Contracting Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992.

het oordeel van het scheidsgerecht

7.17 Het scheidsgerecht heeft vooropgesteld dat art. 12 BIT 1998 het hoogste obstakel (the highest
hurdle
) voor zijn bevoegdheid vormt omdat op grond van alleen de tekst van deze bepaling zou
kunnen worden beargumenteerd dat zij van het toepassingsbereik van het BIT 1998 uitsluit
investeringen die oorspronkelijk niet zijn verricht (made) in the territory of the other Contracting Party
at the date of the initial investment therein
(arbitraal vonnis, par. 552).

7.18 Op grond van de volgende overwegingen is het scheidsgerecht desondanks tot het oordeel gekomen
dat art. 12 BIT 1998 de investeringen van Lugzor c.s. niet van het toepassingsbereik van het BIT 1998
uitsluit:

554. In the analysis of the Tribunal, Article 12 of the Treaty has two purposes: its first purpose is to
expand the scope of the application of the Treaty to include investments made before the date of the

[Page 12]

Treaty, i.e., 27 November 1998. Its second purpose is to limit the scope of the application of the
Treaty to exclude investments made before 1 January 1992, the first day of the first month after the
dissolution of the Soviet Union at the end of December 1991.

555. Article 12 therefore, in short, seeks to clarify that the Treaty should apply to virtually all
investments made between Ukraine and Russia after the fall of the Soviet Union, and that it should
cover existing investments, but exclude "intra-Soviet-Union" investments from before the dissolution
of the Soviet Union.

556. The Tribunal is unconvinced of any argument that Article 12, with the exception of the exclusion
of investments made before the end of the Soviet Union, should be read as an article intended to limit
the scope of the Treaty in any way.

557. In that regard, the Tribunal notes the broad language of Article 12, which speaks of "all
investments", and the broad definition of investments under Article 1(1) of the Treaty, both of which
indicate to the Tribunal that the object and purpose of the Treaty was to include virtually "all
investments".

558. The Tribunal further notes that the definition of "investments" in Article 12 repeats the definition
of investments in Article 1(1) of the Treaty and only changes the verb from "[which are] invested" or
"which are put in" to "made" or "carried out” “in the territory of the other Contracting Party”. That
change in verb and tense, in the view of the Tribunal, cannot mean that Article 12 introduces a
requirement that an investment must have been "actively” invested in the territory of the other
Contracting Party at the time of the original investment, when the official definition of “investments"
under the Treaty, as set out in its Article 1(1), does not include such a requirement (see paragraphs
525-

534 above).

559. Rather, the change of the tense of the verb in Article 12, indicating anteriority, to the Tribunal
seems linguistically necessary to clarify that in addition to the list of assets to which the Treaty applies
here and now in accordance with its Article 1(1), the Treaty also applies to investments that were
made before the entry into force of the Treaty (but not before 1 January 1992).

560. Following that logic, a Ukrainian investment which on the first or any later date of the application
of the Treaty was "invested" in the territory of Russia in the sense of the Treaty, falls under the scope
of the Treaty if it was "made" on or after 1 January 1992. To the Tribunal this seems to be a logical
interpretation of Article 12 in light of its text and its position within the Treaty.

7.19 Het scheidsgerecht heeft vervolgens overwogen dat deze uitleg lijkt te stroken met de arbitrale
uitspraak in de zaak OKO Pankki Oyj c.s. tegen Estland5 en dat het hoogst onwaarschijnlijk lijkt dat de
opstellers van het BIT 1998 een verschil in betekenis hebben bedoeld tussen het begrip the territory of
the other Contracting Party
in art. 1(1) en datzelfde begrip in art. 12 (arbitraal vonnis, par. 561 en
562).

7.20 Met het oog op de bijzondere omstandigheden van deze zaak heeft het scheidsgerecht het volgende
overwogen:

563. It would indeed be absurd to assume that Article 12 was included in the Treaty to exclude
investments in territories that only after the Treaty was concluded, and the investments were made,
wouldthrough annexationbecome territory in the control of a Contracting Party to the Treaty. This does
not seem to be a development that the Contracting Parties would or could have anticipated when
concluding the Treaty in 1998. Article 12 discusses a known development at the time the Treaty
entered into force: the fall of the Soviet Union and the fact that both Contracting Parties were one
country before the fall thereof. It would be a bridge too far, in the eyes of the Tribunal, and, to use
words so often employed by the Respondent and its international legal experts, contrary to a "good
faith" reading of Article 12, to interpret it as applying to a situation that was unknown and unexpected

[Page 13]

by the negotiators of the Treaty.

7.21 Het scheidsgerecht is ervan uitgegaan dat de opstellers van het BIT 1998 deze situation
daadwerkelijk niet hebben voorzien (arbitraal vonnis, par. 564). Daarop heeft het overwogen dat in
een geval als dit het van bijzonder belang is dat de toepassing en de tekstuele analyse (van de
bepalingen) van het verdrag plaatsvinden in het licht van het doel van het verdrag en niet tot
onredelijke en evident absurde uitkomsten leiden (arbitraal vonnis, par. 566), en dat het verdrag, in
zijn geheel beschouwd, lijkt te zijn bedoeld een ruim toepassingsgebied te hebben (arbitraal vonnis,
par. 565).

het standpunt van de Russische Federatie

7.22 De Russische Federatie legt art. 12 BIT 1998 zo uit dat het BIT 1998 uitsluitend van toepassing is op
investeringen van Oekraïense investeerders die op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het
grondgebied van de Russische Federatie. Dat een investering zich op of na 1 januari 1992 bevindt op
het grondgebied van de Russische Federatie is voor de toepasselijkheid van het BIT 1998 niet
voldoende. Daarmee valt het doek voor Lugzor c.s. (inleidende dagvaarding, nr. 10) omdat hun
investeringen weliswaar zijn verricht na 1 januari 1992, maar op een moment dat de Krim Oekraïens
grondgebied was; dat hun investeringen zich vanaf 14 maart 2014, dus na de annexatie van de Krim
door de Russische Federatie, op het grondgebied van de Russische Federatie bevonden, kan niet
meebrengen dat die investeringen onder de reikwijdte van het BIT 1998 vallen.

7.23 Voor deze interpretatie van art. 12 BIT 1998 beroept de Russische Federatie zich (voornamelijk) op
de bewoordingen van art. 12 BIT 1998: de tekst van deze bepaling is helder en laat er geen enkel
misverstand over bestaan dat alleen investeringen die op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het
grondgebied van de andere verdragsstaat dus alleen investeringen die op het moment dat zij worden
gedaan een grensoverschrijdend karakter hebben, bescherming onder het BIT 1998 genieten. Anders
dan het scheidsgerecht heeft overwogen, kunnen het doel van art. 12 BIT 1998 en een ruime uitleg
van het begrip investments in art. 1(1) en art. 12 BIT 1998 daaraan niet afdoen. De uitleg waarin
investeringen zonder grensoverschrijdend karakter worden beschermd onder het BIT 1998, leidt er
bovendien toe dat de woorden by investors of one Contracting Party in the territory of the other
Contracting Party
in art. 12 BIT 1998 zinledig worden. Het begrip investments in art. 12 BIT 1998 is
geen herhaling van de definitie daarvan in art 1(1) BIT 1998 maar een materiële bepaling over welke
investeringen wel en niet onder het BIT 1998 vallen. Wat het scheidsgerecht daarover overweegt in
par. 558 getuigt van wartaal en is in strijd met elementaire logica, terwijl de overwegingen in par. 559-
560 een worsteling van het Scheidsgerecht met de consequenties zijn eigen zienswijze laat zien, om te
ontkomen aan de gevolgen die de tekst van artikel 12 heeft (inleidende dagvaarding, nr. 14-16). De
precedentwaarde van de PrivatBank-uitspraken (zie hieronder rov. 7.27-7.28) is zeer beperkt omdat
het hof daarin alleen is ingegaan op de rol van art. 12 BIT 1998 in het kader van de uitleg van
investments in art. 1(1) BIT 1998 maar niet op de betekenis van art. 12 BIT 1998 als zelfstandige
barrière tegen het aannemen van bevoegdheid (inleidende dagvaarding, nr. 11). In die uitspraken is
wel tot uitgangspunt genomen dat de verdragspartijen bij het BIT 1998 ten tijde van het sluiten
daarvan terdege rekening hielden met een toekomstige wijziging van de onderlinge grenzen. Hiermee
is onverenigbaar het oordeel van het scheidsgerecht in par. 563-567 dat de verdragspartijen geen
rekening hebben gehouden of hebben kunnen houden met de ontwikkeling dat de Krim onder
zeggenschap van de Russische Federatie zou komen te staan. Dit oordeel komt ook in strijd met de
uitlegregel van art. 31 WVV dat de tekst van een verdragsbepaling (art. 12 BIT 1998) leidend is en
met de regel dat het leerstuk van onvoorziene omstandigheden bij verdragsuitleg geen rol speelt.
Verder is het allerminst absurd in de zin van art. 32 WVV dat een investering die geen grens
overschrijdt, niet onder de bescherming van een internationaal investeringsverdrag valt. Bovendien
heeft het scheidsgerecht niet onderbouwd dat als de verdragspartijen de gebeurtenissen van 2014
zouden hebben voorzien, zij in art. 12 BIT 1998 zouden hebben bepaald dat investeringen als gevolg
daarvan bescherming zouden genieten. De tekst van art. 12 BIT 1998 moet worden gezien als
dwingend bewijs van de bedoeling van verdragspartijen om alleen bescherming te verlenen aan
investeringen die op of na 1 januari 1992 op het grondgebied van de andere partij zijn verricht
(conclusie van repliek, nr. 9), aldus de Russische Federatie.

het standpunt van Lugzor c.s.

[Page 14]

7.24 Lugzor c.s. betogen dat de uitleg van art. 12 BIT 1998 door de Russische Federatie indruist tegen het
bepaalde in art. 31 WW, onlogisch is en niets meer dan een cynische poging om de bescherming die
het Verdrag aan de investeerders biedt, te ontzeggen (conclusie van antwoord, nr. 93). Zij verdedigen
de uitleg die het scheidsgerecht aan art. 12 BIT 1998 heeft gegeven. Art. 12 BIT 1998 bakent alleen
het temporele toepassingsgebied van het BIT af. Omdat het BIT 1998 op grond van art. 12 ook
investeringen beschermt die zijn gedaan vóór de inwerkingtreding van het verdrag, is het niet te
goeder trouw om art. 12 BIT 1998 zo uit te leggen dat een investering op het tijdstip van die
investering zich op het grondgebied van de gaststaat moet hebben bevonden (dus om een actieve
handeling als eis te stellen). In deze zaak gaat het erom dat de investeringen van Lugzor c.s. zich op
het moment van de onteigening door de Russische Federatie in strijd met haar verplichtingen onder
het BIT 1998, op het grondgebied bevonden waarop de Russische Federatie aanspraak maakt en
waarover zij zeggenschap heeft. Evenals het scheidsgerecht in par. 555 kwam het hof in zijn
Everest-arrest (zie hieronder rov. 7.27-7.28) tot de conclusie dat art. 12 BIT 1998 ertoe strekt om
alleen ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen buiten de werking van het BIT 1998 te
laten vallen. Ook met de andere PrivatBank-uitspraken (zie hieronder rov. 7.27-7.28) is het arbitrale
vonnis in overeenstemming waar het gaat om de bedoeling van de opstellers van het BIT 1998 en het
ruime toepassingsbereik daarvan. Het scheidsgerecht heeft zijn uitleg van art. 12 BIT 1998 niet
gebaseerd op het leerstuk van onvoorziene omstandigheden. Daarentegen heeft het scheidsgerecht
zijn primaire analyse gebaseerd op een good faith en logical interpretation van de tekst van art. 12 BIT
1998, en heeft in reactie op het standpunt van de Russische Federatie daarbij betrokken dat de
opstellers van het BIT 1998 de annexatie van de Krim door de Russische Federatie niet hebben
voorzien en geadresseerd, aldus Lugzor c.s.

het oordeel van het hof

7.25 Een uitleg aan de hand van alleen de bewoordingen van art. 12 BIT 1998 zou kunnen meebrengen
dat het toepassingsbereik van het BIT 1998 is beperkt tot investeringen die door een investeerder uit
de ene verdragsstaat op of na 1 januari 1992 zijn verricht op het grondgebied van de andere
verdragsstaat. Dit zou betekenen dat de investeringen van de Oekraïense investeerders Lugzor c.s. op
de Krim niet de bescherming van het BIT 1998 zouden genieten omdat in de periode waarin deze
investeringen zijn verricht, de Krim Oekraïens grondgebied was en zij dus niet zijn verricht op het
grondgebied van de Russische Federatie.

7.26 Een louter tekstuele of grammaticale uitleg van art. 12 BIT 1998 volstaat echter niet. Op grond van
art. 31 WVV moet (het BIT 1998 en dus ook) art. 12 BIT 1998 te goeder trouw worden uitgelegd
overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van die bepaling in hun context en in het licht
van het voorwerp en het doel van die bepaling (en van het BIT 1998). Deze uitleg van art. 12 BIT
1998 leidt niet tot de conclusie dat de investeringen van Lugzor c.s. zijn uitgesloten van het
toepassingsbereik van het BIT 1998, maar dat zij daaronder vallen.

7.27 Op 19 juli 2022 heeft het hof drie arresten gewezen in drie soortgelijke zaken als de onderhavige.
Ook in die zaken vorderde de Russische Federatie (onder andere) vernietiging van arbitrale vonnissen
in arbitrageprocedures op grond van het BIT 1998 over de onteigening van investeringen van
Oekraïense investeerders op de Krim door de Russische Federatie. Naar enkele gedaagden in die
vernietigingsprocedures worden de arresten van het hof de PrivatBank-, Everest- en Belbek-arresten
genoemd, en tezamen kortweg de PrivatBank-rechtspraak of -uitspraken.6 De cassatieberoepen in de
PrivatBank-zaken heeft de Hoge Raad verworpen, met uitzondering van het principale cassatieberoep
in de Everest-zaak.7 De slagende cassatieklachten van dat beroep betroffen echter kwesties die voor
de beoordeling van de onderhavige zaak niet relevant zijn.

7.28 In de PrivatBank-uitspraken heeft het hof onder andere het volgende overwogen:

5.7.20 Voorwerp en doel van het BIT 1998 is niet alleen het stimuleren, maar ook het beschermen van
investeringen. Dit volgt in de eerste plaats uit de aanduiding van het verdrag (on the encouragement
and mutual protection of investments), en daarnaast ook uit het feit dat de bescherming zich
uitstrekt over investeringen gedaan op of na 1 januari 1992, dus ook over investeringen die zijn
gedaan vóór het sluiten en de inwerkingtreding van het verdrag. ()

5.7.21 Hierbij sluit aan dat in de preambule van de BIT 1998 de bedoeling van het verdrag wordt
weergegeven als "intending to create and maintain favorable conditions for mutual investments".

[Page 15]

Bij het creëren van zulke gunstige omstandigheden gaat het niet alleen om het in het
vooruitzicht stellen van bescherming voor toekomstige investeerders, maar ook om de
bescherming van bestaande investeringen. De bescherming van bestaande investeringen dient
ook het doel van het stimuleren van toekomstige investeringen. Toekomstige investeerders
worden immers afgeschrikt als reeds bestaande investeringen (van derden of van henzelf)
zonder adequate rechtsbescherming of compensatie worden onteigend of op andere wijze
worden aangetast.

()

5.7.23 Bij dit voorwerp en dit doel van de BIT 1998 past dat verplichtingen van het verdrag rusten op
de verdragspartij die het in haar macht heeft om in een gebied de desbetreffende bescherming
daadwerkelijk te bieden, en als uitvloeisel daarvan ten aanzien van dat gebied de
verantwoordelijkheid voor de buitenlandse relaties op zich heeft genomen. Er is geen reden om
aan te nemen dat partijen ten tijde van het sluiten van het verdrag beoogd hebben
verdragsverplichtingen afhankelijk te maken van factoren die niet van belang zijn voor het
bieden van rechtsbescherming. Belangrijk onderdeel van die rechtsbescherming wordt gevormd
door artikel 5 BIT 1998 (Expropriation), dat bescherming biedt tegen onteigening en
nationalisatie van investeringen. Het is de Russische Federatie die op het grondgebied van de
Krim sinds de gebeurtenissen in 2014 deze bevoegdheden uitoefent, met toepassing van de aan
Russische overheidsorganen toekomende bevoegdheden.

(citaten uit het PrivatBank-arrest; vgl. het Everest-arrest, rov. 5.4.13-5.4.16 en het
Belbek-arrest, rov. 5.5.18-5.5.21)

5.8.10 Het hof volgt niet het standpunt van de Russische Federatie dat de gewone betekenis van
investments [in art. 1(1) BIT 1998] een temporele beperking bevat. De drie vereisten die
volgens de Russische Federatie zijn begrepen in de definitie van investments (een
handelingsvereiste, een territoriaal vereiste en een legaliteitsvereiste) sluiten niet uit dat een
investering die zich aanvankelijk op het grondgebied van de eigen verdragsstaat bevond, door
de BIT 1998 wordt beschermd tegen een onteigening die plaatsvindt op een moment dat de
investering zich bevindt op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Dat een investering
een actieve handeling vereist, zegt niets over het moment waarop die handeling moet
plaatsvinden om onder het bereik van de BIT 1998 te vallen, en de door Russische Federatie
aangehaalde territoriale- en legaliteitsvereisten bevatten evenmin een temporeel element.

5.8.11 Van belang is verder dat artikel 12 BIT 1998 erin voorziet dat het verdrag mede van
toepassing is op investeringen die zijn gedaan vóór het sluiten en in werking treden van het
verdrag, namelijk investeringen gedaan vanaf 1 januari 1992. In artikel 12 is bij het woord
"made" in de Russische en Oekraïense taalversies gebruik gemaakt van een ander
werkwoordaspect dan bij het woord “invested by" in artikel 1 lid 1 BIT 1998. Het
werkwoordaspect van “made" verwijst (anders dan het werkwoordaspect van “invested by") wél
naar de verleden tijd (een zogenoemd perfectief aspect). () Dat investeringen van vóór 1 januari
1992 niet vallen onder bescherming van het verdrag ligt verder in zoverre voor de hand, dat
zowel Oekraïne als de Russische Federatie tot 1 januari 1992 deel uitmaakten van de Sovjet-
Unie. Het verdrag bevat daarmee een “harde" grens in de tijd: investeringen gedaan voor die
datum komen niet in aanmerking voor bescherming. Dat het verdrag niet spreekt van het enkele
"houden of bezitten van investeringen" sluit aan bij de naar het oordeel van het hof in de BIT
1998 besloten liggende bedoeling om ten tijde van de Sovjetperiode verkregen eigendommen
buiten de werking van het verdrag te laten vallen. Een vereiste van gelijktijdigheid valt hier niet
uit af te leiden.

()

5.8.13 Aldus geldt dat investeringen van vóór 1 januari 1992 wel buiten het verdrag zijn gehouden,
maar dat in de bewoordingen van het verdrag voor investeringen van na die datum geen
temporele vereisten kunnen worden gelezen. Anders gezegd: uit de tekst van artikel 1 lid 1 BIT
1998, bezien in de context, volgt niet dat investeringen, om voor bescherming in aanmerking te
komen, zich reeds ten tijde van de investering op het grondgebied van de andere verdragsstaat
moesten bevinden. ()

[Page 16]

5.8.14 Een uitleg te goeder trouw van het verdrag waarbij naast de hiervoor genoemde tekst en
context het voorwerp en doel worden betrokken leidt evenmin tot de conclusie dat de
investeringen zich van meet af aan op het grondgebied van de Russische Federatie moeten
hebben bevonden. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat de BIT 1998 naast en in het
verlengde van het doel van het stimuleren van investeringen uit de andere verdragsstaat ook
nadrukkelijk tot doel heeft het beschermen van investeringen. Het past bij deze
beschermingsgedachte om het verdrag van toepassing te laten zijn op alle investeringen die er
op basis van de tekst van het verdrag voor in aanmerking komen. Daarom is niet
doorslaggevend dat PrivatBank bij het doen van de investeringen geen verdragsbescherming in
het vooruitzicht had en dat haar investeringsbeslissingen daardoor dus niet beïnvloed zijn.
Datzelfde geldt immers voor de ook door het verdrag beschermde investeringen die zijn gedaan
vóór het opstellen en de inwerkingtreding van het verdrag.

(citaten uit het PrivatBank-arrest; vgl. het Everest-arrest, rov. 5.6.8-5.6.11 en het
Belbek-arrest, rov. 5.7.11.3, 5.7.11.5-5.7.11.6)

7.29 Het hof volhardt in deze overwegingen en zal deze hieronder tot uitgangspunt nemen.

7.30 Zoals tevens uit de overwegingen van het scheidsgerecht volgt, houdt ook naar het oordeel van het
hof art. 12 BIT 1998 geen andere beperking van het toepassingsbereik van het BIT 1998 in dan een
beperking in tijd: op investeringen die vóór 1 januari 1992 zijn verricht, is het BIT 1998 niet van
toepassing. Deze beperking ligt in zoverre voor de hand dat Oekraïne en de Russische Federatie tot en
met 31 december 1991 deel uitmaakten van de per 1 januari 1992 ontbonden Sovjet-Unie. Art. 12 BIT
1998 sluit (Oekraïense en Russische) investeringen uit de tijd van de Sovjet-Unie intra-Sovjet-Unie-
investeringen dus uit van de bescherming onder het BIT 1998. Op investeringen van op of na 1 januari
1992 verklaart art. 12 BIT 1998 het verdrag van toepassing, dus ook op investeringen van vóór de
inwerkingtreding van het BIT 1998 op 27 november 1998. In zoverre houdt art. 12 BIT 1998 een
verruiming van het toepassingsbereik van het BIT 1998 in.

7.31 Uit art. 12 BIT 1998 valt niet af te leiden dat het toepassingsbereik van het BIT 1998 is beperkt tot
investeringen (van op of na 1 januari 1992) die op het moment dat zij werden gedaan, werden verricht
op het grondgebied van de andere verdragsstaat, oftewel die zich reeds ten tijde van het verrichten
daarvan (van meet af aan) op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. In de opzet
van het BIT 1998 ligt besloten dat met het begrip investments in art. 12 BIT 1998 hetzelfde
investments-begrip is bedoeld als in art. 1(1) BIT 1998 waarin dat begrip immers wordt gedefinieerd
For the purposes of this Agreement. Volgens deze bepaling moet onder investments als bedoeld in het
BIT 1998 worden verstaan any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an
investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party
(gevolgd door een
uitwerking). Deze definitiebepaling stelt voor de toepasselijkheid van het BIT 1998 niet als eis dat de
investering oorspronkelijk is verricht en zich dus van meet af aan bevond op het grondgebied van de
andere verdragsstaat. Dat die eis wel uit het woordje made (of anderszins uit) art. 12 BIT 1998 volgt,
valt daarom niet in te zien. Het woordje made in art. 12 BIT 1998 moet worden gelezen in samenhang
met on or after January 1, 1992. Voortbordurend op het investments-begrip van art. 1(1) BIT 1998
maakt art. 12 BIT 1998 aldus duidelijk dat die investeringen moeten zijn verricht op of na 1 januari
1992 om onder het toepassingsbereik van het BIT 1998 te vallen.

7.32 Art. 12 BIT 1998 rept van all investments. Deze bewoordingen in combinatie met de veelomvattende
definitiebepaling van investments in art. 1(1) BIT 1998 (any kind of tangible and intangible assets)
duiden erop dat een ruim toepassingsbereik van het BIT 1998 is beoogd. Daarmee valt eerder te
rijmen dat daaronder ook worden begrepen investeringen die zich oorspronkelijk niet op het
grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden, dan een uitleg van art. 12 BIT 1998 die tot het
tegendeel strekt.

7.33 Een uitleg te goeder trouw van het BIT 1998 waarin ook het voorwerp en het doel daarvan worden
betrokken, brengt evenzeer mee dat art. 12 BIT 1998 niet de beperking inhoudt die de Russische
Federatie daarin leest. Het BIT 1998 heeft als voorwerp en doel niet alleen het stimuleren van
(toekomstige) investeringen, maar ook het beschermen van (bestaande) investeringen. Hierbij past
juist een uitleg waarin onder het toepassingsbereik en daarmee onder de bescherming van het BIT
1998 ook vallen investeringen die zich niet van meet af aan op het grondgebied van de andere

[Page 17]

verdragsstaat bevonden (maar wel op of na 1 januari 1992 zijn verricht en een investering in de zin
van het verdrag zijn).

7.34 Met het scheidsgerecht is het hof verder van oordeel dat de uitleg die de Russische Federatie aan art.
12 BIT 1998 geeft, tot een duidelijk ongerijmde en onredelijke uitkomst leidt. Aannemelijk is dat de
opstellers van het BIT 1998 weloverwogen de regeling hebben getroffen waarin intra-Sovjet-Unie-
investeringen zijn uitgesloten van de bescherming van het verdrag. Ten tijde van de totstandkoming
van het BIT 1998 waren de ontbinding van de Sovjet-Unie en de omstandigheid dat tot dat moment
Oekraïne en Rusland deel uitmaakten van de Sovjet-Unie, een historisch gegeven. Onaannemelijk is
dat de opstellers van het BIT 1998 hebben bedoeld met art. 12 een regeling te treffen waarin
investeringen van bescherming worden uitgesloten in de situatie dat die investeringen (op of na 1
januari 1992) zijn verricht op het grondgebied van een verdragsstaat dat pas daarna door annexatie
het grondgebied van een andere verdragsstaat wordt. Die situatie was hen ten tijde van de
totstandkoming van het BIT 1998 onbekend en die konden zij redelijkerwijs ook niet verwachten. Art.
12 BIT 1998 kan voor die situatie dus niet zijn bedoeld. De tegenovergestelde opvatting en de uitleg
met als resultaat dat in die situatie de investeringen in geannexeerd gebied niet de bescherming van
het BIT 1998 genieten, brengen vervolgens mee dat de verdragsstaat die het grondgebied door
annexatie heeft verworven en tot het zijne heeft gemaakt, zich zou kunnen onttrekken aan de
(beschermings)verplichtingen die het BIT 1998 op die verdragsstaat legt. Dat laatste zou niet passen
bij het voorwerp en het doel van het BIT 1998 dat die verplichtingen rusten op de verdragsstaat die
het in zijn macht heeft om in dat gebied die bescherming daadwerkelijk te bieden, waaronder de in
art. 5 BIT 1998 bedoelde bescherming tegen onteigening en nationalisatie van investeringen. Niet in
geschil is dat op de Krim, sinds de gebeurtenissen in 2014, de Russische Federatie deze macht heeft
en deze bevoegdheden uitoefent.

7.35 De conclusie uit het voorgaande is dat een uitleg te goeder trouw van art. 12 BIT 1998,
overeenkomstig de uitlegmaatstaf van art. 31 WW, betekent dat voor de toepasselijkheid van het BIT
1998 voldoende is dat de (na 1 januari 1992 gedane) investeringen van Lugzor c.s. zich ten tijde van
de onteigening op door de Russische Federatie geannexeerd grondgebied bevonden. Het
scheidsgerecht heeft terecht geoordeeld dat art. 12 BIT 1998 de investeringen van Lugzor c.s. niet
uitsluit van bescherming onder het BIT 1998, en dat art. 12 BIT 1998 niet in de weg staat aan zijn
bevoegdheid.

ii) investments in art. 1(1) BIT 1998

7.36 Voor een goed begrip wordt hier herhaald dat art. 1(1) BIT 1998 For the purposes of this Agreement
de term investments definieert als

any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party
in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation, including:

()

Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not affect their nature
as investments, provided that such alteration is not contrary to legislation of a Contracting Party in the
territory of which the investments were made.

het oordeel van het scheidsgerecht

7.37 Het scheidsgerecht heeft geoordeeld dat de investeringen van Lugzor c.s. investments in de zin van
art. 1(1) BIT 1998 zijn. Daartoe heeft het scheidsgerecht onder andere het volgende overwogen:

517 () the Tribunal, as a preliminary step, notes that the text of Article 1(1), when referring to the
term investment, seems to cover both the asset that is moved cross-border in order to invest, and the
shape in which the investment takes form in the host country, e.g. "immovable property". To the
Tribunal this is a clear indicator that, contrary to what the Respondent has argued in its
Comprehensive Submission, the Treaty does cover both the "active" act of investing and the more
passive act of holding or owning an investment. In particular, the more detailed list of assets which are
included in the meaning of "any kind of tangible and intangible asset" in the sense of the Treaty,
included in Article 1 (1)(a)-(d) of the Treaty, would make no sense if the Treaty did not cover "owning"
these types of assets.

[Page 18]

()

527. The Tribunal notes that in both translations of the Treaty with which it has been provided, the
respective translators described investments as assets "which are put" or "[which are] invested" in the
territory of the other Contracting Party. In the view of the Tribunal, this demonstrates that Article 1(1)
in terms of its temporal scope is set after the initial investment has taken place. It contains a neutral,
positive description of a status quo at a certain moment in time, i.e., the basis for a list of investments
which are invested (are "put") in the territory of the other Contracting Party on a relevant date. Save
for the legality requirement discussed below, Article 1(1) is not concerned with how the investments
did or should have come into being in the first place.

528. This conclusion is affirmed by the Tribunals above analysis on how Article 1 (1) of the Treaty
defines investments as both the assets as they are being invested, and the form in which they have
been invested, e.g. immovable property. In that regard, the Tribunal considers that for the purposes of
this subsection, what has been translated as investments "which are put in" and "[which are] invested"
can be interpreted to mean investments "which are held” by an investor in the territory of the other
Contracting Party.

529. In the Tribunals view, this is in line with the function Article 1(1) has in the context of the Treaty
and the purpose that seems to have guided its drafters. It is a definition article at the beginning of a
BIT that uses a very broad description in order to cover virtually all investments ("any kind of tangible
and intangible asset") in the territory of the other Contracting Party.

530. In the view of the Tribunal, this result is also in line with the object and purpose of the Treaty.
The Treaty has been made to protect "any kind of tangible and intangible asset", e.g. immovable
property, which Ukrainian investors hold in Russia (and which Russian investors hold in Ukraine).
Before the expropriation of their assets, the Claimants were Ukrainian investors in what Russia
considers its territory.
(onder weglating van voetnoten)

het standpunt van de Russische Federatie

7.38 De Russische Federatie betoogt dat de bezittingen van Lugzor c.s. niet voldoen aan de definitie van
investeringen in art. 1(1) BIT 1998. Onder verwijzing naar een opinie van dr. T.N. Kurokhtina stelt zij
daartoe dat in de authentieke Russische tekst van het verdrag de werkwoordverbuiging vkladyvayutsia
(fonetisch geschreven), anders dan invested by in de Engelse vertaling van Lugzor c.s., op een
voortdurende actieve handeling duidt en niet op een passieve status of toestand. Het enkele houden
van een bezit op de Krim is dus geen investering in de zin van het verdrag. Dat de definitie van
investering in art. 1(1) BIT 1998 een actieve (en ook) grensoverschrijdende handeling vereist, volgt
tevens uit de slotbepaling van dit artikel dat de verandering in de vorm van een investering geen
wijziging brengt in de status daarvan. Als het enkele houden van een investering in een andere
verdragsstaat voldoende is, zou deze bepaling geen betekenis hebben. Verder wordt ook in andere
bepalingen van het BIT 1998 de term investment gebruikt in verbinding met een werkwoord dat een
actie uitdrukt. Het scheidsgerecht heeft in par. 525-534 eraan voorbijgezien dat de Engelse vertaling
geen enkele status heeft, terwijl het is voorgehouden dat de authentieke talen een actieve handeling
eisen. Ook verder houdt de motivering van het oordeel van het scheidsgerecht dat een enkel bezit op
het grondgebied van de andere verdragsstaat een investering in de zin van art. 1(1) BIT 1998 is, geen
stand. In zijn PrivatBank-arresten heeft het hof de hier voorgestane uitleg verworpen, maar onder
miskenning van de kern van de zaak, namelijk dat de originele taalversies van het BIT 1998 een
werkwoord hanteren dat een handelen vereist, in verbinding met het grondgebied van de andere
verdragsstaat. De door het hof aangehaalde uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof
lijden aan hetzelfde manco, aldus de Russische Federatie.

het standpunt van Lugzor c.s.

Lugzor c.s. stellen dat in art. 1(1) BIT de imperfectieve vorm van het Russische (en Oekraïense)
werkwoord voor investeren is gebruikt en dat investments [which are] invested daarvan de correcte
Engelse vertaling is (en investeringen die zijn verricht in het Nederlands). Het Zwitserse Federale

[Page 19]

Hooggerechtshof en het hof hebben in gelijke zin geoordeeld. Dat de Engelse vertaling juist is, valt ook
af te leiden uit (vroegere) bilaterale investeringsverdragen tussen Litouwen en Rusland en tussen
Nederland en de Sovjet-Unie. Verder blijkt uit het arbitrale vonnis dat het scheidsgerecht kennis heeft
genomen van de opinie van dr. Kurokhtina. Daarbij komt dat de stelling van de Russische Federatie dat
de investeringen van Lugzor c.s. buiten de bescherming van het BIT 1998 vallen omdat zij nooit op het
grondgebied van de Russische Federatie zijn verricht, haaks staat op wat het hof in de
PrivatBank-uitspraken heeft overwogen. Daarnaast tonen de door het hof aangehaalde uitspraken van
het Zwitserse Federale Hooggerechtshof aan dat ook buiten Nederland in zaken met een vergelijkbare
feitelijke en juridische achtergrond wordt gekozen voor een interpretatie van art. 1(1) BIT 1998 zonder
temporele beperking en uitgaande van een asset based-benadering van het woord investment. Ook in
dit verband is van belang dat het doel van het BIT 1998 is gelegen in niet alleen het bevorderen van
grensoverschrijdende investeringen, maar ook in het beschermen van investeringen die zich op het
grondgebied van de gaststaat bevinden, aldus Lugzor c.s.

het oordeel van het hof

7.39 Het betoog van de Russische Federatie dat de bezittingen van Lugzor c.s. niet voldoen aan de
definitie van investeringen in art. 1(1) BIT 1998 faalt. Zoals het hof in de PrivatBank-uitspraken heeft
geoordeeld over de investeringen die daar aan de orde waren, oordeelt het hof in deze zaak dat de
investeringen van Lugzor c.s. onder het begrip investments van art. 1(1) BIT 1998 vallen, omdat

(i) uit de bewoordingen van het verdrag niet blijkt dat de investeringen van meet af aan op het
grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen om te kunnen worden gekwalificeerd
als investments in de zin van het verdrag;

(ii) een uitleg van art. 1(1) BIT 1998 conform de uitlegmaatstaf van art. 31 WVV tot de conclusie leidt
dat voor de toepasselijkheid van het verdrag voldoende is dat de na 1 januari 1992 gedane
investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere
verdragsstaat bevonden (vgl. het PrivatBank-arrest, rov. 5.8.9, het Everest-arrest, rov. 5.6.7, het
Belbek-arrest, rov. 5.7.11).

7.40 Het hof volhardt ook in de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, in het bijzonder in de
hierboven in rov. 7.28 geciteerde rov. 5.8.10-5.8.11 en 5.8.13-5.8.14 van het PrivatBank-arrest (en
rov. 5.6.8-5.6.11 van het Everest-arrest en rov. 5.7.11.3, 5.7.11.5-5.7.11.6 van het Belbek-arrest). In
wat de Russische Federatie in deze zaak aanvoert, ziet het hof geen aanleiding van deze overwegingen
terug te komen. In aanvulling daarop overweegt het hof nog het volgende.

7.41 In de PrivatBank- en Belbek-arresten heeft het hof in zijn oordeel uitdrukkelijk de opinies van
taaldeskundigen betrokken (waaronder die van dr. Kurokhtina). Zo heeft het hof overwogen dat de
door PrivatBank ingeschakelde deskundige heeft geconcludeerd dat

the Russian imperfective reflexive verb vkladyvajutsja and its Ukrainian () equivalent () do not convey
an active action by an investor. As these are imperfective reflexives used with the meaning of the
simple present, the refer to a state of affairs that can be described in this particular case as "the party
has assets / the party has investments put in / the party has invested"
(PrivatBank-arrest, rov.
5.8.12),

en heeft het hof in het Belbek-arrest

- overwogen dat wat betreft de gewone betekenis van de bewoordingen van (art. 1(1) van) het BIT
1998 acht moet worden geslagen op de authentieke taalversies in het Russisch en het Oekraïens, en
dat zowel de door de Russische Federatie geraadpleegde deskundigen Kurokhtina en Tyulnev, als de
door Belbek geraadpleegde deskundige Fortuin, het erover eens zijn dat daarbij alleen naar de
Russische tekst kan worden gekeken (rov. 5.7.11.1),

- geoordeeld dat uit de expert opinion van Fortuin die mede een bespreking van de rapporten van
Kurokhtina en Tyulenev omvat op overtuigende wijze blijkt dat uit de bewoordingen van de
authentieke taalversies grammaticaal en/of syntactisch bezien niet volgt dat de investering gedaan op
het grondgebied van de andere verdragspartij, gelijktijdig moet plaatsvinden met de initiële
investeringshandeling (rov. 5.7.11.2), en

- overwogen dat ook volgens Kurokhtina en Tyulenev de in art. 1(1) BIT 1998 gekozen
werkwoordsvorm (een past passive imperfective participle) geen handeling aangeeft die op een

[Page 20]

bepaald moment is voltooid, maar een voortdurende toestand (rov. 5.7.11.4).

7.42 Het oordeel van het hof sluit ook aan bij twee uitspraken van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof
van 16 oktober 2018 in twee soortgelijke zaken als de PrivatBank-zaken en de onderhavige zaak
(Russische Federatie/Ukrnafta en Russische Federatie/Stabil LLC e.a.; overgelegd als productie 10 bij
conclusie van antwoord). Het hof heeft de relevante overweging van het Zwitserse Federale
Hooggerechtshof uitgebreid geciteerd (in de Engelse vertaling; PrivatBank-arrest, rov. 5.8.17,
Everest-arrest, rov. 5.6.14, en Belbek-arrest, rov. 5.7.13). Een verkorte weergave, waaruit volgt dat
het Zwitserse Federale Hooggerechtshof ook de slotbepaling van art. 1(1) BIT 1998 (IPA (Investment
Protection Agreement) 1998) in aanmerking heeft genomen, luidt als volgt:

If wording in other provisions of the agreement is also consulted, the verb forms used for "invest" in
the authentic languages rather tend to argue against the assumption of a temporal restriction, as the
Appellee comprehensibly argues in its response. () the (imperfective) verb form used in Art. 1 (1) IPA
1998 () ("assets [which are] invested [] in the territory of the other Contracting State") does not
describe an action that must have been completed at a certain point in time. The element of duration
is furthermore indirectly included in Article 1 (1) IPA 1998, at the end, according to which a
subsequent change in the type of investments is not supposed to change anything about their nature
as an investment within the meaning of that provision.

When the Appellant variously argues that the term "investments" under Article 1 (1) IPA 1998
presupposes a cross-border activity performed at a certain point in time, it appears to be taking a
transaction-based approach () By contrast, Article 1(1) IPA 1998 () clearly contains a (more broadly
understood) asset-based definition ().

7.43 De conclusie van het voorgaande is dat het scheidsgerecht terecht heeft geoordeeld dat de
investeringen van Lugzor c.s. investments zijn als bedoeld in art. 1(1) BIT 1998, en dat deze bepaling
dus evenmin in de weg staat aan zijn bevoegdheid.

iii) territory in art. 1(1) BIT 1998

7.44 Voor een goed begrip wordt hier wederom herhaald dat art. 1(1) BIT 1998 For the purposes of this
Agreement
de term investments definieert als

any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party
in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation.

7.45 Verder definieert art. 1(4) BIT 1998 For the purposes of this Agreement het begrip territory als

() the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective
exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with international law.

het standpunt van de Russische Federatie

7.46 De Russische Federatie betoogt dat ook als wordt aangenomen dat het enkele houden van bezit een
investering als bedoeld in art. 1(1) BIT 1998 kan opleveren, het hier nog steeds moet gaan om een
investering van een Oekraïense investeerder op het grondgebied van de Russische Federatie, en dat
aan die eis niet is voldaan omdat met het begrip territory in art. 1(1) BIT 1998 is bedoeld het
grondgebied ten tijde van het sluiten van het verdrag in 1998 en toen werd de Krim niet als
grondgebied van de Russische Federatie beschouwd. Het arbitrale vonnis biedt hierover geen
betekenisvolle inzichten (inleidende dagvaarding, nr. 39). Dat het aankomt op het grondgebied ten
tijde van het sluiten van het verdrag in 1998 volgt uit de tekst van art. 1(1) BIT 1998 waar een
investering op het grondgebied van de andere verdragsstaat wordt beperkt tot in accordance with its
legislation
, en uit de tekst van art. 1(2) BIT 1998 waar het begrip investor of a Contracting Party wordt
beperkt tot partijen die volgens het recht van die verdragsstaat bevoegd zijn tot het doen van
investeringen op het grondgebied van de andere verdragsstaat. Zou niet voor het moment van sluiten
van het verdrag als peildatum worden gekozen, zouden de verdragsstaten verplichtingen van
onbekende omvang accepteren, al helemaal in een situatie als de onderhavige waarin de
gebiedsuitbreiding door de ene verdragsstaat niet wordt erkend door de andere verdragsstaat. In de
PrivatBank-uitspraken heeft het hof het pleidooi voor deze peildatum verworpen. Voor zover het hof
daarin heeft geoordeeld dat alleen de legaliteit van het houden van een investering kan worden
getoetst, maakt dat de in accordance with its legislation-beperking vrijwel betekenisloos en miskent

[Page 21]

dat de strekking van het verdrag om alleen legale investeringen bescherming te bieden. Indien zou
worden aangenomen dat het territory-begrip tevens betrekking heeft op wijzigingen daarvan na de
datum dat het BIT 1998 werd gesloten, dan kan dat in ieder geval slechts gelden voor dergelijke
wijzigingen die de instemming van beide partijen hebben. Dit volgt uit het basisbeginsel van
reciprociteit. Daarnaast heeft de Russische Federatie een lijst overgelegd (als productie 12 bij conclusie
van repliek) met verklaringen van twaalf verdragsstaten (wederpartijen) bij bilaterale
investeringsverdragen met de Russische Federatie, waarin telkenmale het standpunt wordt betrokken
dat die verdragen geen betrekking hebben op de Krim omdat die wederpartijen de soevereiniteit van
de Russische Federatie over de Krim niet erkennen. Dit staat haaks op het oordeel in de
PrivatBank-uitspraken dat onder grondgebied in de zin van het BIT 1998 moet worden verstaan het
grondgebied waarover een verdragsstaat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, ook
wanneer de andere verdragsstaat de soevereiniteit van de eerste verdragsstaat over het
desbetreffende grondgebied niet erkent. Dat het hof dit oordeel mede heeft gebaseerd op art. 29 WW,
berust op een misvatting omdat de vraag niet is waar het BIT 1998 van toepassing is maar op welke
investering. Ook het oordeel van het Zwitserse Federale Hooggerechtshof in de Ukrnafta- en
Stabil-zaken dat met de feitelijke zeggenschap over de Krim de Krim grondgebied van de Russische
Federatie is geworden, valt niet te rijmen met de verklaringen van de overgelegde lijst, aldus de
Russische Federatie.

het standpunt van Lugzor c.s.

7.47 Lugzor c.s. wijzen erop dat het begrip territory wordt gedefinieerd in art. 1(4) BIT 1998, niet in het
eerste lid van die bepaling. Daarnaast wijzen zij erop dat het betoog van de Russische Federatie dat
dat begrip in art. 1(4) BIT 1998 ziet op het grondgebied ten tijde van het sluiten van het verdrag, het
hof niet heeft overtuigd in de PrivatBank-uitspraken en ook het Zwitserse Federale Hooggerechtshof
niet in de Ukrnafta- en Stabil-uitspraken. Het hof heeft uit art. 29 WVV terecht afgeleid dat een
verdrag ook na territoriale wijzigingen geldig blijft voor het gehele (gewijzigde) grondgebied. Uit de
door de Russische Federatie overgelegde lijst blijkt dat die verklaringen moeten worden begrepen als
reacties van verdragsstaten bij (andere) bilaterale investeringsverdragen (dan het BIT 1998) op een
voorstel van de Russische Federatie om in onderhandeling te treden over het territoriale
toepassingsgebied van die verdragen, met inbegrip van de Krim. Op die uitbreiding hebben de twaalf
verdragsstaten negatief gereageerd. Tot een ander oordeel dan dat van het hof en het Zwitserse
Federale Hooggerechtshof kan de lijst met verklaringen daarom niet leiden. Het zou verder volstrekt
onlogisch zijn als de verdragsverplichtingen van Oekraïne met betrekking tot investeringen op de Krim
blijven bestaan nadat de Russische Federatie de controle over de Krim heeft gekregen, aldus Lugzor
C.S.

het oordeel van het hof

7.48 Voorop moet worden gesteld dat het begrip territory in de zin van het BIT 1998 (specifiek) wordt
gedefinieerd in art. 1(4) BIT 1998. De uitleg van deze definitiebepaling is dus bepalend voor het
territory-begrip in andere BIT-bepalingen, waaronder dat in art. 1(1).

7.49 De uitleg van het begrip territory in art. 1(4) BIT 1998 was onderwerp van de PrivatBank-zaken. De
Russische Federatie had daarin het standpunt ingenomen dat dat begrip verwijst naar hetzij het
soevereine grondgebied van de Russische Federatie, hetzij naar het soevereine grondgebied van
Oekraïne zoals deze waren in 1998, toen het BIT 1998 werd gesloten, en dat de betekenis van dat
begrip nadien alleen kan wijzigen met instemming van de verdragspartijen. Het hof is de Russische
Federatie hierin niet gevolgd en heeft geoordeeld dat de Krim valt onder de territory van de Russische
Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998 (zie rov. 5.7.8-5.7.26 van het PrivatBank-arrest, rov. 5.4.4-
5.4.20 van het Everest-arrest en rov. 5.5.6-5.5.24 van het Belbek-arrest). Deels in aanvulling op
hierboven in rov. 7.28 reeds geciteerde overwegingen, haalt het hof in het bijzonder de volgende
overwegingen uit het PrivatBank-arrest aan:

5.7.11 Het hof volgt verder niet de stelling van de Russische Federatie dat onder het begrip territory
alleen kan vallen het grondgebied van de Russische Federatie zoals dit was op het moment van het
sluiten van het verdrag. PrivatBank heeft terecht naar voren gebracht dat voor de betekenis van het
begrip territory moet worden uitgegaan van de bedoelingen van de verdragsluitende partijen op het
moment van het sluiten van het verdrag, maar dat dit niet betekent dat de inhoud van het begrip (het

[Page 22]

daadwerkelijke grondgebied) niet kan wijzigen bij toepassing van een uitleg conform die bedoelingen.
Dat de verdragsluitende partijen bedoeld hebben het territoriale toepassingsgebied te fixeren op het
moment van het sluiten van de BIT 1998, blijkt nergens uit. ()

5.7.13 Ook artikel 29 WVV geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat met territory altijd wordt
verwezen naar sovereign territory. Artikel 29 WVV luidt als volgt:

"Unless a different intention appears from the treaty or is otherwise established, a treaty is
binding upon each party in respect of its entire territory".

In de eerste plaats volgt uit artikel 29 WVV het uitgangspunt dat een verdrag ook na territoriale
wijzigingen geldig blijft voor het hele (gewijzigde) grondgebied (zie Mark E. Villiger, Commentary
on the 1969 Vienna Convention on the Law of Treaties, Leiden/Boston: 2009, blz. 392 393):

"If there are territorial changes, the treaty continues, in principle, to apply to the entire territory;
different intentions would have to be renegotiated with, or at least be tacitly approved by, the
other parties."

5.7.4.14 Het is verder duidelijk dat ook volgens artikel 29 WVV wat betreft de territoriale
werking van een verdrag primair moet worden gekeken naar de bedoelingen die volgen uit het
verdrag zelf, in dit geval de BIT 1998. Uit de inhoud of geschiedenis van artikel 29 WVV valt ook
niet af te leiden dat territory in zijn algemeenheid verwijst naar grondgebieden waarvan de
soevereiniteit door de internationale gemeenschap is erkend. Zie Villiger, a.w. blz. 392:

"The territory covers the area over which a party to the treaty exercises sovereignty and thus
embraces all that States land, territorial waters and air space, whether or not these areas are
part of the metropolitan area (though not the continental shelf, the exclusive economic zone and
the fishery zones). Recognition under international law of the State and its territory is
not required.
" (vette letter aangebracht door het hof)

()

5.7.16 () Naar het oordeel van het hof overweegt het scheidsgerecht terecht dat uit de regel in artikel
29 WVV dat een verdrag, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, van toepassing is op het
"entire territory" van een verdragspartij, kan worden afgeleid dat de BIT 1998 geldt voor het
gehele grondgebied waarover een verdragsstaat “settled jurisdiction or control" uitoefent.

()

5.7.22 Het scheidsgerecht heeft vastgesteld en dit wordt door partijen in deze vernietigingsprocedure
ook niet bestreden dat geen van beide verdragspartijen stappen heeft gezet om te komen tot
een beëindiging van de werking van de BIT 1998. Er moet dus vanuit gegaan worden dat het de
bedoeling van de verdragspartijen was en nog steeds is om investeringen over en weer op hun
respectieve grondgebieden aan te moedigen en te beschermen.

5.7.23 Bij dit voorwerp en dit doel van de BIT 1998 past dat verplichtingen van het verdrag rusten op
de verdragspartij die het in haar macht heeft om in een gebied de desbetreffende bescherming
daadwerkelijk te bieden, en als uitvloeisel daarvan ten aanzien van dat gebied de
verantwoordelijkheid voor de buitenlandse relaties op zich heeft genomen. Er is geen reden om
aan te nemen dat partijen ten tijde van het sluiten van het verdrag beoogd hebben
verdragsverplichtingen afhankelijk te maken van factoren die niet van belang zijn voor het
bieden van rechtsbescherming. Belangrijk onderdeel van die rechtsbescherming wordt gevormd
door artikel 5 BIT 1998 (Expropriation), dat bescherming biedt tegen onteigening en
nationalisatie van investeringen. Het is de Russische Federatie die op het grondgebied van de

[Page 23]

Krim sinds de gebeurtenissen in 2014 deze bevoegdheden uitoefent, met toepassing van de aan
Russische overheidsorganen toekomende bevoegdheden. ()

5.7.24 Ook in de internationale literatuur wordt aangenomen dat verdragen ook van toepassing
kunnen zijn op geannexeerde grondgebieden, zeker als het aankomt op de bescherming van
individuen (waaronder vallen investeerders van een verdragsstaat). Dat geldt dus ook in het
onderhavige geval. Dat is niet anders indien, zoals de Russische Federatie stelt, geen sprake is
van annexatie maar van incorporatie. Wat geldt voor geannexeerd gebied, geldt ook voor
geïncorporeerd gebied, aangezien de rechtsmacht en effectieve controle over het desbetreffende
gebied in beginsel dezelfde is (zie Hap en Wuschka, Horror Vacui: Or Why Investment Treaties
Should Apply to Illegally Annexed Territories, Journal of International Arbitration, 33 J.Int.Arb.
256 (2016) en Costelloe, Treaty Succession in Annexed Territory, 65 ICLQ 2016).

5.7.25 Gezien het voorgaande is er op basis van de gewone betekenis van artikel 1 lid 1 [lees: lid 4,
vgl. rov. 5.4.19 van het Everest-arrest en rov. 5.5.23 van het Belbek-arrest; hof] van de BIT
1998 dat niet verwijst naar sovereign territory gecombineerd met de strekking en het doel van
het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de
Russische Federatie als bedoeld in het verdrag. Het hof tekent daarbij nog aan dat het bij een
uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 31 WVV, waar ook wordt gekeken
naar het doel en de strekking, niet erop aankomt dat de verdragspartijen ten tijde van het
sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de
Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag
hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een
verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien. Het komt erop aan na te
gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op
het moment van het sluiten daarvan.

(vgl. het Everest-arrest, rov. 5.4.8, 5.4.11, 5.4.15, 5.4.17, 5.4.19, en het Belbek-arrest, rov.
5.5.9, 5.5.11-5.5.12, 5.5.14, 5.5.20, 5.5.22-5.5.23)

7.50 Het hof volhardt in het oordeel dat de Krim valt onder de territory van de Russische Federatie als
bedoeld in art. 1(4) BIT 1998 en in de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. In wat de
Russische Federatie in deze zaak hierover naarvoren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding van
dit oordeel of deze overwegingen terug te komen. In dit verband overweegt het hof nog het volgende.

7.51 Zoals hierboven is overwogen, is de uitleg van de definitiebepaling van art. 1(4) BIT 1998 bepalend
voor het territory-begrip in andere BIT-bepalingen, waaronder dat in art. 1(1). Reeds daarom kan de
uitleg van het begrip territory in art. 1(1) BIT 1998 niet een andere zijn (en/of tot een andere uitkomst
leiden) dan de uitleg die het hof in de PrivatBank-uitspraken heeft gegeven aan het territory-begrip in
art. 1(4) BIT 1998. Evenmin valt in te zien dat de overwegingen van het hof die tot verwerping van de
door de Russische Federatie bepleite uitleg van het territory-begrip in art. 1(4) BIT 1998 hebben
gevoerd, niet ook tot verwerping van die uitleg van het territory-begrip in art. 1(1) BIT 1998 moeten
leiden.

7.52 Het oordeel van het hof in de PrivatBank-arresten dat de Krim valt onder de territory van de
Russische Federatie als bedoeld in art. 1(4) BIT 1998, sluit aan bij par. 490 van het arbitraal vonnis dat
als volgt luidt:

The Tribunal further observes that the text of Article 1(4) seems to aim at the broadest possible
definition of territory and seems to seek to include the entire territory of both Contracting Parties. This
is not a surprising feature in an investment treaty and is also in line with the general rule in the law on
treaties, which would apply if the Treaty did not define its territorial scope itself, i.e., that a treaty is
binding in respect of the "entire territory” of a party thereto (Article 29 of the VCLT). The Tribunal
would expect a deviation from such a standard assumption about the scope of a treaty to be explicit in
its formulation; in particular, as it would seem artificial to assume that at the time the Treaty
was entered into, its drafters contemplated that there would ever be a possible

[Page 24]

discrepancy between the sovereign territory and the "de facto" territory of one of the Contracting
Parties.

7.53 Dat oordeel sluit tevens aan bij de volgende overwegingen van het Zwitserse Federale
Hooggerechtshof in zijn Ukrnafta- en Stabil-uitspraken (in een Engelse vertaling overgelegd als
productie 10 bij conclusie van antwoord, vergelijk hierboven rov. 7.42):

4.3.2 () under Art. 29 VCLT, a treaty is binding on each Contracting Party “in respect of its entire
territory," unless a different intention appears from the treaty or is otherwise established. The deciding
point is that according to general principles, in the event of territorial changes, a treaty is still
applicable to the entire territory (i.e. the territory that is now changed) () The Appellant [de Russische
Federatie; hof] is also unable to adduce any evidence for its thesis of a static understanding of the
territory concerned (meaning a restriction to the sovereign territory at the time when the agreement
was made). Therefore nothing argues against the arbitral tribunals interpretation that a change in
territory that takes place after the agreement was made is to be included under Art. 1 (4) IPA 1998.

7.54 Dat uit het BIT 1998 volgt dat het de bedoeling is dat het verdrag niet geldt voor het gehele
grondgebied van de verdragsstaten of dat van alleen de Russische Federatie, is in deze zaak gesteld
noch gebleken. Evenmin is gesteld of gebleken dat na de wijziging van het grondgebied van de
Russische Federatie als gevolg van de gebeurtenissen op de Krim in 2014, partijen een andere
territoriale werking van het BIT 1998 dan het gehele grondgebied hebben heronderhandeld of
stilzwijgend goedgekeurd.

7.55 Het scheidsgerecht heeft vastgesteld dat diverse uitlatingen van de Russische Federatie erop wijzen
dat zij van mening is dat de Krim deel uitmaakt van haar grondgebied, waaraan het de conclusie heeft
verbonden dat de Russische Federatie

does not, but also could not, deny that, from the Respondents perspective, the Crimean Peninsula
belongs to "the territory of [Russia]... as well as [its] exclusive economic zone and the continental
shelf, defined in accordance with international law"
(arbitraal vonnis, par. 480-481).

Dat de Russische Federatie sinds de gebeurtenissen in 2014 de feitelijke controle op het grondgebied
van de Krim heeft en dat zij feitelijk de mogelijkheid (macht) heeft om de door het BIT 1998 geboden
bescherming van investeringen op de Krim daadwerkelijk te bieden, staat (ook) in deze zaak niet ter
discussie. Zo heeft het scheidsgerecht door partijen onweersproken vastgesteld dat

to this day, the Respondent was and is in control of the Crimean Peninsula,

en overwogen dat

[t]he fact that the Respondent was able to effect and maintain an expropriation itself is convincing
evidence of control in the view of the Tribunal
(arbitraal vonnis, par. 489, onder weglating van
voetnoot 563).

Verder is (ook) in deze zaak niet gesteld of gebleken dat partijen stappen hebben gezet om te komen
tot een beëindiging van de werking van het BIT 1998, zodat (in rechte) ervan moet worden uitgegaan
dat het nog steeds de bedoeling van partijen is om investeringen over en weer op hun respectieve
grondgebieden aan te moedigen en te beschermen.

7.56 De door de Russische Federatie overgelegde lijst met verklaringen kan het voorgaande niet anders
maken. Anders dan de Russische Federatie stelt, valt uit die verklaringen niet af te leiden dat de
internationale communio opinio is dat investeerders op de Krim geen beroep kunnen doen op de
bescherming van bestaande bilaterale investeringsverdragen met de Russische Federatie. Het hof leest
in die verklaringen gelezen in hun geheel namelijk niet meer of minder dan afwijzende reacties van
verdragsstaten bij andere bilaterale investeringsverdragen (dan het BIT 1998) op een voorstel (note)
van de Russische Federatie om in onderhandeling te treden over (een uitbreiding van) het territoriale
toepassingsgebied van die verdragen in relatie tot de Krim, waarbij die afwijzende reacties zijn
ingegeven doordat deze staten vooropstellen dat zij de rechtmatigheid van de annexatie van de Krim
door de Russische Federatie niet erkennen.

7.57 Uit het voorgaande volgt dat de door de Russische Federatie bepleite uitleg van het begrip territory in
art. 1(1) BIT 1998 moet worden verworpen en dat dat begrip niet in de weg staat aan de bevoegdheid
van het scheidsgerecht.

[Page 25]

bewijsaanbod

7.58 Aan het bewijsaanbod van de Russische Federatie (in inleidende dagvaarding, nr. 48) gaat het hof
voorbij omdat het onvoldoende specifiek is.

ten overvloede

7.59 Voor de goede orde overweegt het hof nog dat naar zijn oordeel in het midden kan blijven wat de
Russische Federatie heeft opgemerkt over de persoon van [betrokkene] en de voorzitter van het
scheidsgerecht in deze zaak Donald McRae. De Russische Federatie heeft hieraan immers geen
(voldoende concrete) gevolgen verbonden voor deze vernietigingsprocedure. Wat betreft McRae geldt
bovendien dat het hof de bevoegdheid van het scheidsgerecht vol heeft getoetst, zodat de
opmerkingen van de Russische Federatie ook daarom niet relevant kunnen zijn voor de uitkomst van
deze zaak.

conclusie en proceskosten

7.60 De conclusie is dat de vordering tot vernietiging van de arbitrale vonnissen moet worden afgewezen.
De Russiche Federatie zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in proceskosten
gevallen aan de zijde van Lugzor c.s.

7.61 Het hof begroot die proceskosten tot op heden op:

griffierecht 11.379,--
salaris advocaat 19.827,-- (drie punten × tarief VIII ( 6.609,-- per punt))
nakosten 189,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal 31.395,--

Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de
beslissing.

8 Beslissing

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. H.J. van Kooten, H.J.M. Burg en R.M Hermans, en in het openbaar
uitgesproken op 9 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.


1 O.a. HR 6 december 2024 (PrivatBank), ECLI:NL:HR:2024:1807, rov. 3.1.2.

2 Trb. 1972, 51 en 1985, 79.

3 HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443.

4 Vgl. HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443, rov. 3.4.1-3.4.2.

[Page 26]

5 Arbitraal vonnis van 19 november 2007 van het International Centre for the Settlement of Investment
Disputes, overgelegd als prod. 7 bij inleidende dagvaarding.

6 Gerechtshof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA: 2022:1294 (PrivatBank),
ECLI:NL:GHDHA:2022:1296 (Belbek) en ECLI:NL:GHDHA:2022:1297 (Everest).

7 HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1807 (PrivatBank), ECLI:NL:HR:2024:1812 (Everest) en
ECLI:NL:HR:2024:1813 (Belbek).