[Page 1]
| ECLI:NL:GHDHA:2026:181 | |
| Instantie | Gerechtshof Den Haag |
| Datum uitspraak | 24-02-2026 |
| Datum publicatie | 02-03-2026 |
| Zaaknummer | 200.360.273/01 |
| Formele relaties | Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2025:16440, Bekrachtiging/bevestiging |
| Rechtsgebieden | Burgerlijk procesrecht |
| Bijzondere kenmerken | Hoger beroep kort geding |
| Inhoudsindicatie | Besslag ex art. 435 Idi 3 Rv, vordering tot opheffing. Immuniteit van executie. |
| Vindplaatsen | Rechtspraak.nl |
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer hof : 200.360.273/01
Zaaknummer rechtbank : C/09/689865 KG ZA 25-801
Arrest in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
Gazprom International Limited,
gevestigd in Kalingrad, Russische Federatie ,
appellante,
advocaat: mr. J.Ph. de Korte, kantoorhoudend in Amsterdam,
tegen
1 JSC DTEK Krymenergo ,
gevestigd in Kiev, Oekraïne,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. G.J. Meijer, kantoorhoudend in Amsterdam.
2 de Russische Federatie ,
[Page 2]
gezeteld in Moskou, Russische Federatie ,
verweerster in hoger beroep,
niet verschenen.
Het hof zal partijen hierna Gazprom International , DTEK en de Russische Federatie noemen.
De Russische Federatie is in een arbitraal vonnis veroordeeld tot betaling van een groot bedrag aan DTEK .
DTEK heeft hierop uit hoofde van art. 435 lid 3 Rv executoriaal beslag gelegd op de aandelen die Gazprom
International houdt in Wintershall Noordzee B.V. (" Wintershall "). DTEK stelt dat Gazprom International
kan worden vereenzelvigd met de Russische Federatie dan wel misbruik maakt van haar identiteitsverschil.
Gazprom International heeft zich verzet tegen het beslag en heeft in deze procedure opheffing daarvan
verzocht. Aan de orde is onder meer of art. 435 lid 3 Rv een grondslag biedt voor het beslag en of
Gazprom International zich kan beroepen op immuniteit van executie.
2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
2.2 Op 17 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij de advocaten de
zaak hebben toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen.
3.1 De voorzieningenrechter heeft in rov. 2.1 tot en met 2.6 van het bestreden vonnis een aantal feiten
vastgesteld. Hierover bestaat tussen partijen geen geschil, zodat het hof ook van deze feiten zal
uitgaan
3.2 Het gaat in deze zaak om het volgende.
[Page 3]
"dat verzoeker(s) (DTEK, hof) hierbij in executoriaal beslag ten laste van de Russische Federatie ()
doet nemen alle aandelen in de aangezegde vennootschap (Wintershall, hof) () staande op naam van
() Gazprom International (), welke onderneming haar rechten ten aanzien van de aandelen niet aan
executante kan tegenwerpen nu zij kan worden vereenzelvigd met de Russische Federatie dan wel
misbruik maakt van haar identiteitsverschil als gevolg waarvan de aandelen vatbaar zijn voor het
onderhavige beslag."
3.3 Op 13 augustus 2025 heeft Gazprom International zowel DTEK als de Russische Federatie in kort
geding gedagvaard. Gazprom International vordert de opheffing van alle door DTEK gelegde beslagen
ten laste van de Russische Federatie op activa van Gazprom International .
3.4 De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het te beoordelen geschil alleen gaat over het door
DTEK op 21 juli 2025 gelegde beslag op de aandelen die Gazprom International houdt in Wintershall
(rov. 4.2) en heeft de vordering van Gazprom International tot opheffing van dit beslag afgewezen.
4.1 Gazprom International heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal
vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen.
4.2 DTEK heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.
4.3 De eerste grief houdt in dat het beslagexploot dat DTEK aan Wintershall heeft laten betekenen, niet
voldoet aan het vereiste dat het duidelijk en in overeenstemming met de terzake geldende wettelijke
voorschriften is opgesteld (art. 45 Rv. jo. art. 15 Gerechtsdeurwaarderswet). Zo is niet vermeld dat
art. 435 lid 3 Rv de grondslag is voor het beslag. Evenmin vermeldt het aan Wintershall uitgebrachte
exploot dat binnen acht dagen na betekening bezwaar kan worden aangetekend en dat in dat geval
het executoriale beslag zal omslaan in een conservatoir beslag. Volgens Gazprom International is het
beslag daarom nietig.
4.4 Art. 705 lid 2 Rv, dat zich leent voor overeenkomstige toepassing nu het aanvankelijk executoriaal
beslag op grond van het bepaalde in art. 435 lid 3 Rv conservatoir is geworden, bepaalt dat de rechter
een conservatoir beslag onder meer kan opheffen bij verzuim van op straffe van nietigheid
voorgeschreven vormen. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter, daargelaten of er
al sprake is van vormverzuimen, terecht geoordeeld dat de door Gazprom International gestelde
gebreken aan het aan Wintershall uitgebrachte beslagexploot, niet leiden tot nietigheid van het
exploot. Het door Gazprom International genoemde art. 15 Gerechtsdeurwaarderswet schrijft (voor
[Page 4]
zover hier van belang) voor dat het exploot duidelijk moet zijn. Aan die eis is naar het oordeel van het
hof voldaan. Uit het exploot blijkt immers dat het gaat om een beslag gelegd ten laste van de
Russische Federatie op een goed dat aan Gazprom International toebehoort. Voor zover al zou moeten
worden geconcludeerd dat er aan het exploot gebreken kleven, is bovendien niet gebleken dat deze
hebben geleid tot benadeling van Gazprom International . De gestelde gebreken vormen daarmee
geen grond voor opheffing van het beslag. Voor zover Gazprom International van mening is dat ook de
belangen van Wintershall zijn geschonden, ziet zij eraan voorbij dat Wintershall geen partij is in deze
procedure en dat ook niet is gebleken dat Gazprom International in deze procedure de belangen van
Wintershall mag behartigen. Grief I is dan ook ongegrond.
4.5 In haar tweede grief klaagt Gazprom International dat DTEK heeft verzuimd het beslagexploot op de
juiste wijze aan haar te betekenen en dat het beslag om die reden niet rechtsgeldig is. Gazprom
International stelt dat het exploot op grond van het Haags Betekeningsverdrag1 in de Russische
Federatie enkel kan worden betekend door onverwijlde verzending van het exploot door het Openbaar
Ministerie aan het Ministerie van Justitie van de Russische Federatie. Dat is niet gebeurd omdat, aldus
Gazprom International, het Openbaar Ministerie in strijd met de Uitvoeringswet bij het
Betekeningsverdrag tot nader order is gestopt met het doorzenden van exploten naar de Russische
Federatie .
4.6 Op grond van art. 435 lid 3 Rv diende DTEK het op 21 juli 2025 ten laste van de Russische Federatie
gelegde beslag binnen acht dagen aan Gazprom International te betekenen. De deurwaarder heeft het
beslag op 23 juli 2025 aan Gazprom International betekend overeenkomstig art. 55 lid 1 Rv aan de
ambtenaar van het Openbaar Ministerie van de Rechtbank Den Haag met het verzoek om kort gezegd
dit exploot aan Gazprom International te doen betekenen/kennisgeven overeenkomstig de art. 3 tot en
met 6 van het Haags Betekeningsverdrag. Voorts heeft de deurwaarder afschrift van zijn exploot per
aangetekende post toegezonden aan het bekende adres van Gazprom International , vergezeld van
een vertaling in het Russisch in tweevoud van het exploot en de daarbij betekende stukken. Daarmee
voldoet het exploot aan de eisen van art. 55 Rv, de Uitvoeringswet Betekeningsverdrag 1965 en het
Haags Betekeningsverdrag, waarbij zowel Nederland als de Russische Federatie partij zijn. Door in
tweevoud een vertaling van het exploot en de daarbij betekende stukken in het Russisch bij te voegen,
heeft de deurwaarder gevolg gegeven aan het voorbehoud dat de Russische Federatie bij het Haags
Betekeningsverdrag heeft gemaakt.
4.7 Als zou moeten worden aangenomen dat de betekening van het exploot aan Gazprom International
niet rechtsgeldig zou zijn geweest, stuit de grief af op het volgende. Het staat vast dat Gazprom
International daags na de beslaglegging onder Wintershall op de hoogte is geraakt van de
beslaglegging en dat zij kort daarop door de deurwaarder is geïnformeerd over de grondslag van dat
beslag en de mogelijkheid hiertegen in verzet te gaan. Gazprom International heeft binnen de wettelijk
voorgeschreven termijn van acht dagen na betekening van het beslag verzet aangetekend, met als
gevolg dat het executoriale beslag ten opzichte van haar van rechtswege is omgezet in een
conservatoir beslag. Zij heeft vervolgens de opheffing van dit beslag kunnen vorderen. Dat Gazprom
International op enigerlei wijze is benadeeld door de beweerdelijk gebrekkige betekening, is niet
gebleken. Tot slot merkt het hof nog op dat de betekening aan Gazprom op grond van art. 435 lid 3 Rv
niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
4.8 Grief II is dus ongegrond.
4.9 Met grief III klaagt Gazprom International dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld
dat DTEK op grond van art. 435 lid 3 Rv executoriaal beslag onder Wintershall kon leggen wegens kort
gezegd vereenzelviging en/of misbruik van bevoegdheid om zich te beroepen op het tussen Gazprom
International en de Russische Federatie bestaande identiteitsverschil. Art. 435 lid 3 Rv kan volgens
Gazprom International slechts in een beperkt aantal, wettelijk omschreven situaties worden toegepast
en die situaties doen zich hier niet voor. Het zonder executoriale titel onder Gazprom International
executoriaal beslag leggen, levert misbruik van recht of onrechtmatig handelen van DTEK op, aldus
[Page 5]
Gazprom International.
4.10 De hoofdregel is dat een schuldeiser ( DTEK ) zijn vordering verhaalt op de goederen van zijn
schuldenaar ( de Russische Federatie ) (art. 3:276 BW). Op deze hoofdregel bestaan uitzonderingen.
Art. 435 lid 3 Rv ziet op de situatie dat de schuldeiser geen executoriale titel heeft tegenover de derde
( Gazprom International ), maar meent dat de derde verhaalsaansprakelijk is voor de vordering van de
schuldeiser op de schuldenaar. Naar het oordeel van het hof is de toepassing van art. 435 lid 3 Rv niet
beperkt tot een aantal expliciet wettelijk omschreven situaties, omdat dat niet volgt uit de tekst van de
bepaling of uit de parlementaire geschiedenis. De parlementaire geschiedenis merkt over de
toepassing van art. 435 lid 3 Rv op:2
"dat het erop aankomt of de executant bevoegd is zich op het betreffende goed te verhalen. Daartoe is
niet nodig dat het goed aan de schuldenaar toebehoort. Uit verschillende bepalingen kan immers
voortvloeien dat ook op een goed van een ander dan de schuldenaar verhaal bestaat. Men zie bijv. de
artikelen ()"
Anders dan Gazprom International aanvoert, volgt uit de parlementaire geschiedenis ook niet dat
vereist is dat er een rechtstreekse en expliciete wettelijke grondslag is om verhaal te kunnen nemen
op het vermogen van een derde. De bevoegdheid om beslag te mogen leggen hoeft slechts uit de wet
voort te vloeien. Wanneer de Russische Federatie en Gazprom International vereenzelvigd kunnen
worden, of wanneer Gazprom International misbruik maakt van haar bevoegdheid zich te beroepen op
haar juridische zelfstandigheid ten opzichte van de Russische Federatie, kan dit grond zijn om te
oordelen dat DTEK een verhaalsrecht heeft op goederen van Gazprom International .
4.11 Gazprom International heeft verder aangevoerd dat de beslagroute van art. 435 lid 3 Rv tot
onwenselijke gevolgen zou leiden omdat dit het mogelijk maakt om beslag te leggen zonder enig
rechterlijk oordeel over de executoriale titel en zonder voorafgaande toets door de verlofrechter. Een
interpretatie van art. 435 lid 3 Rv die erop neerkomt dat door stilzitten uit het niets (buiten een
wettelijke grond) een executoriale titel ontstaat en daarmee dus door stilzitten eigendom wordt
verloren, is in strijd met fundamentele rechtsbeginselen van art. 6 EVRM en de Grondwet, aldus
Gazprom International
4.12 Het hof verwerpt ook deze stelling. Anders dan Gazprom International stelt, is van strijd met art. 6
EVRM geen sprake, nu aan Gazprom International een rechtsgang openstaat waarmee het executoriaal
beslag ten opzichte van haar wordt omgezet in een conservatoir beslag, en waarbij zij kan verzoeken
om de opheffing van dat beslag. Gazprom International heeft deze mogelijkheid in deze zaak ook
daadwerkelijk benut.
4.13 Gazprom International heeft verder aangevoerd dat een beslaglegger gepaste voortgang moet maken
met het aanhangig maken van de bodemzaak. DTEK heeft daarmee te lang gewacht. DTEK heeft zelf
te kennen gegeven dat zij de bodemzaak uiterlijk op 30 september 2025 aanhangig zou maken. Dat is
al een onredelijk lange termijn, maar zelfs die termijn heeft zij niet in acht genomen. Onder die
omstandigheden dient het beslag al dan niet van rechtswege te worden opgeheven, aldus Gazprom
International.
4.14 In de systematiek van art. 435 lid 3 Rv geldt dat indien de derde tijdig in verzet komt tegen het
gelegde executoriale beslag, dit beslag ten opzichte van de derde geldt als een conservatoir beslag. De
wet bepaalt niet dat DTEK binnen een bepaalde termijn de eis in een bodemzaak moet instellen. Dat is
anders dan bij een conservatoir beslag dat met verlof van de voorzieningenrechter wordt gelegd.
4.15 Het ontbreken van een wettelijke termijn om een eis in een bodemzaak in te stellen betekent niet dat
DTEK hiermee eindeloos kan wachten. Inmiddels is gebleken dat DTEK de bodemzaak op 2 oktober
2025 aanhangig heeft gemaakt, twee dagen later dan zij oorspronkelijk had aangekondigd. DTEK heeft
in haar memorie van antwoord toegelicht waarom de inleidende dagvaarding in de bodemzaak niet
eerder dan op 2 oktober 2025 kon worden uitgebracht (nr. 101 van de memorie van antwoord).
Gazprom International heeft die toelichting niet betwist. In de gegeven omstandigheden acht het hof
de door DTEK in acht genomen termijn dan ook niet onredelijk lang.
4.16 Grief III is dus ongegrond.
[Page 6]
4.17 Met grief IV voert Gazprom International aan dat het gepretendeerde verhaalsrecht van DTEK
summierlijk ondeugdelijk is. In dat verband voert zij allereerst aan dat op de vraag of sprake is van
vereenzelviging of misbruik van recht niet alleen het Russische recht van toepassing is. Vóór 30
december 2022 was Gazprom International eerst een Nederlandse vennootschap (tot 6 juli 2022) en
daarna een Cypriotische vennootschap (tot 30 december 2022). Over die periodes was dus
Nederlands, respectievelijk Cypriotisch recht van toepassing. Uitsluitend over de periode vanaf 30
december 2022 was Gazprom International een Russische vennootschap en is Russisch recht van
toepassing.
4.18 Het hof oordeelt als volgt. Het gaat hier om de vraag of in het kader van de beslaglegging door DTEK
Gazprom International en de Russische Federatie vereenzelvigd kunnen worden of dat Gazprom
International misbruik van recht maakt door zich te beroepen op het tussen haar en de Russische
Federatie bestaande identiteitsverschil. Het doet daarbij niet ter zake dat Gazprom International vóór
2023 geen Russische vennootschap was. De voorzieningenrechter heeft dan ook in rov. 4.9 van het
bestreden vonnis op goede gronden beslist dat ingevolge de art. 10:118 en 10:119 BW het Russische
recht van toepassing is.
4.19 Verder is Gazprom International van mening dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft
geoordeeld dat aan de door haar overgelegde opinies van de Russische advocaat [deskundige 1] niet
meer gewicht toekomt dan aan de door DTEK overgelegde opinies van prof. [deskundige 2].
4.20 Prof. [deskundige 2] heeft in zijn eerste opinie toegelicht dat het Russische recht het leerstuk van
"piercing of the corporate veil" kent, waarbij de rechter voorbij gaat aan de rechtspersoonlijkheid van
een vennootschap en andere rechtspersonen of natuurlijke personen aansprakelijk houdt voor het
handelen of de schulden van de vennootschap. Ook kan naar Russisch recht een vennootschap onder
bepaalde omstandigheden aansprakelijk worden gehouden voor het handelen of de schulden van een
entiteit die deze vennootschap controleert of die met deze vennootschap is verbonden. Volgens prof.
[deskundige 2] zijn er in de rechtspraak diverse voorbeelden aan te wijzen waarin het leerstuk wordt
toegepast. Er bestaan diverse wettelijke grondslagen voor de toepassing van dit leerstuk, maar voor
het geval van Gazprom International is art. 10 van het Russische Burgerlijk Wetboek de geëigende
grondslag. Daarin wordt kort gezegd bepaald dat misbruik van recht niet is toegestaan en dat de
rechter aan dit misbruik de gevolgen kan verbinden die hij geraden acht. Indien aan een aantal (in de
Russische jurisprudentie ontwikkelde) criteria is voldaan, kan sprake zijn van misbruik van de
bevoegdheid om zich te beroepen op juridische zelfstandigheid. Aldus prof. [deskundige 2].
4.21 [deskundige 1] heeft in zijn vijfde opinie toegelicht dat het Russische recht een aantal specifieke
wettelijke regels kent op grond waarvan de ene (rechts)persoon aansprakelijk kan worden gehouden
voor de schulden van een ander. Volgens hem brengt prof. [deskundige 2] deze regels ten onrechte
samen onder het paraplubegrip "piercing of the corporate veil". Het hof leidt hieruit af dat de kritiek
van [deskundige 1] vooral ziet op het gebruik van deze overkoepelende term, maar dat hij niet
ontkent dat er een situatie kan zijn waarin een dochtervennootschap aansprakelijk zou kunnen worden
gehouden voor schulden van een beleidsbepalende meerderheidsaandeelhouder zolang voor die
aansprakelijkheid maar een specifieke wettelijke grondslag is aan te wijzen. Verder deelt [deskundige
1] de analyse van prof. [deskundige 2] dat art. 10 van het Russische Burgerlijke Wetboek een
grondslag kan vormen voor een dergelijke aansprakelijkheid, met dien verstande dat hij van mening is
dat deze bepaling geen "standalone ground" voor aansprakelijkheid kan zijn. Voor aansprakelijkheid in
niet-contractuele relaties moet er mede een grondslag kunnen worden gevonden in art. 1064 en/of
art. 1080 van het Russische Burgerlijke Wetboek, aldus [deskundige 1] .
4.22 Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling hoe de inhoud van het Russische recht luidt, rekening
moet worden gehouden met het karakter van het kort geding. Dit brengt mee dat het hof genoegen
mag nemen met een zekere mate van waarschijnlijkheid.
4.23 Naar het oordeel van het hof volgt uit het vorenstaande dat het zowel volgens prof. [deskundige 2]
als volgens [deskundige 1] mogelijk is dat er sprake kan zijn van misbruik van de bevoegdheid om
zich te beroepen op juridische zelfstandigheid, met dien verstande dat [deskundige 1] van mening is
dat naar Russisch recht daarbij een grote terughoudendheid wordt betracht. Het hof heeft echter de
indruk dat [deskundige 1] ten onrechte het standpunt inneemt dat er in een geval als het onderhavige
[Page 7]
mede een grondslag moet worden gevonden in art. 1064 en/of art. 1080 van het Russische Burgerlijke
Wetboek, omdat het hier gaat om verhaalsaansprakelijkheid en niet om de aansprakelijkheid van
Gazprom International uit hoofde van onrechtmatige daad. Of het recht op het vorderen van
schadevergoeding uit onrechtmatige daad naar Russisch recht zou zijn verjaard is daarom naar het
voorlopig oordeel van het hof niet relevant.
4.24 Verder stelt het hof vast dat het antwoord op de vraag of Gazprom International misbruik maakt van
haar juridische zelfstandigheid in hoge mate afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, zoals
blijkt uit de opinies van beide deskundigen. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat de
deugdelijkheid van het verhaalsrecht uiteindelijk in de bodemzaak zal moeten worden onderzocht. In
dit kort geding kan in ieder geval niet worden vastgesteld dat het gepretendeerde verhaalsrecht van
DTEK summierlijk ondeugdelijk is, nu uit de opinies van prof. [deskundige 2] blijkt dat het in ieder
geval goed denkbaar is dat Gazprom International naar Russisch recht misbruik maakt van haar
juridische zelfstandigheid.
4.25 Gazprom International stelt nog dat de Russische rechter exclusief bevoegd is om te oordelen over
vorderingen tot vereenzelviging of misbruik van bevoegdheid door Russische rechtspersonen. Het hof
verwerpt dit betoog. Tussen Nederland en de Russische Federatie bestaat geen verdrag op grond
waarvan de Nederlandse rechter zich onbevoegd zou moeten verklaren omdat de rechtsmacht in dit
geval exclusief zou toebehoren aan de gerechten van de Russische Federatie . Als de Nederlandse
rechter op grond van het Nederlandse internationale bevoegdheidsrecht rechtsmacht toekomt, kan ook
hij oordelen over een vordering tot vereenzelviging of misbruik van bevoegdheid door een Russische
rechtspersoon.
4.26 De conclusie is dat grief IV faalt.
4.27 Gazprom International heeft in grief V aangevoerd dat het beslag in strijd is met het recht van de
Russische Federatie op immuniteit van executie. Daarbij heeft Gazprom International tot uitgangspunt
genomen dat overeenkomstig het oordeel van de voorzieningenrechter de beslagen aandelen zouden
moeten kwalificeren als eigendom van de Russische Federatie.
4.28 De stelplicht en bewijslast met betrekking tot de vatbaarheid voor beslag en executie rusten op de
schuldeiser ( DTEK ) die beslag legt of wil leggen op goederen van een vreemde staat. Volgens
Gazprom International heeft DTEK niet aan dit vereiste voldaan. Volgens haar is het hoofddoel van
Gazprom International (en Gazprom PJSC) het maken van winst en het doen van dividenduitkeringen
aan haar aandeelhouders, waaronder de Russische Federatie. De winst van Gazprom International
komt dus ten goede aan het budget van de Russische Federatie die de dividenduitkeringen aanwendt
voor publieke doeleinden, aldus Gazprom International .
4.29 De regels voor immuniteit van executie kunnen worden gevonden in art. 19 van het VN-
Immuniteitsverdrag.3 Dit verdrag is door 25 staten, waaronder Nederland, geratificeerd, maar is nog
niet in werking getreden. Art. 19 van dit verdrag vormt (voor zover hier van belang) een
weerspiegeling van het toepasselijke internationaal gewoonterecht. Art. 19 luidt als volgt:
"Article 19
State immunity from post-judgment measures of constraint
No post-judgment measures of constraint, such as attachment, arrest or execution, against property of
a State may be taken in connection with a proceeding before a court of another State unless and
except to the extent that:
(a) the State has expressly consented to the taking of such measures as indicated:
(i) by international agreement;
(ii) by an arbitration agreement or in a written contract; or
(iii) by a declaration before the court or by a written communication after a dispute between the
parties has arisen; or
[Page 8]
(b) the State has allocated or earmarked property for the satisfaction of the claim which is the object
of that proceeding; or
(c) it has been established that the property is specifically in use or intended for use by the State for
other than government non-commercial purposes and is in the territory of the State of the forum,
provided that post-judgment measures of constraint may only be taken against property that has a
connection with the entity against which the proceeding was directed."
4.30 Het geschil spitst zich toe op de vraag of DTEK een beroep toekomt op het bepaalde in art. 19 aanhef
en onder c van het VN-Immuniteitsverdrag. Meer in het bijzonder gaat het erom of DTEK in dit kort
geding, waarin Gazprom opheffing van het gelegde beslag vordert, voldoende aannemelijk heeft
gemaakt dat het beslagen vermogen (in de vorm van de aandelen in Wintershall ) in het bijzonder is
bestemd voor andere dan publieke doeleinden ("is specifically in use or intended for use by the State
for other than government non-commercial purposes"). Hierover heeft DTEK het volgende aangevoerd.
De Gazprom groep en Wintershall zijn commerciële ondernemingen met als statutair doel het maken
van winst via de exploitatie van het Wintershall project. Van enig ander doel is geen sprake. Zo is het
beslagen vermogen niet bedoeld om de nationale energievoorziening van de Russische Federatie
staande te houden en maakt het beslagen vermogen ook geen onderdeel uit van een zogeheten
"sovereign wealth fund". Hetzelfde geldt volgens DTEK voor de opbrengsten die met het vermogen
kunnen worden gegenereerd (dividenduitkeringen en opbrengst uit de verkoop van de aandelen).
Sinds 2022 is namelijk het beleid dat er geen dividenden worden uitgekeerd aan de Russische
Federatie en worden de dividenden binnen de onderneming gelaten. Ten tijde van de beslaglegging
was het verder de bedoeling van de Gazprom groep om de aandelen in Wintershall te verkopen en de
opbrengst daarvan te investeren in andere commerciële projecten, aldus DTEK .
4.31 Naar het oordeel van het hof heeft DTEK aldus voldoende gegevens aangedragen aan de hand
waarvan kan worden vastgesteld dat de aandelen door de Russische Federatie worden gebruikt of zijn
bestemd voor andere dan publieke doeleinden. De door DTEK aangedragen gegevens zijn door
Gazprom International op zichzelf ook niet voldoende gemotiveerd betwist. Gazprom International
voert als betwisting in wezen slechts aan dat alle vermogensbestanddelen die aan de Russische
Federatie toekomen, uiteindelijk een publieke bestemming hebben, althans dat dat niet valt uit te
sluiten. Deze maatstaf is te streng, omdat uiteindelijk al het vermogen van een staat tot op zekere
hoogte ten goede komt aan publieke doeleinden. Dat zou betekenen dat behoudens de onder art. 19
aanhef en onder a en b genoemde situaties, executiemaatregelen tegen een vreemde staat niet of
nauwelijks mogelijk zouden zijn. Art. 19 aanhef en onder c van VN-Immuniteitsverdrag zou daarmee
zinledig dreigen te worden.
4.32 Daarnaast kan de immuniteit van executie (in Nederland) worden beperkt wanneer een staat door
een beroep op immuniteit zou worden beschermd tegen aansprakelijkheid uit hoofde van dwingende
normen van internationaal recht (jus cogens), zoals het verbod op geweld, oorlogsmisdaden of
misdaden tegen de menselijkheid. Nederland heeft dat tot uitdrukking gebracht door bij de toetreding
tot het VN-Immuniteitsverdrag expliciet te verklaren dat het "interprets the UN Convention as not
precluding the possibility of restricting State immunity in case of war crimes or crimes of aggression as
recognised by the international community and in accordance with international law.".
4.33 Vast staat dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Russische gewapende aanval in
Oekraïne heeft bestempeld als "geweld". Het Internationaal Gerechtshof heeft Rusland opgedragen de
vijandelijkheden onmiddellijk te staken en zich volledig uit Oekraïne terug te trekken. Als gevolg van
de onrechtmatige bezetting door Rusland van delen van Oekraïne, waaronder de Krim, heeft DTEK al
haar investeringen in de Krim verloren zonder daarvoor te zijn gecompenseerd. De Russische Federatie
is in het arbitrale vonnis veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan DTEK , maar weigert te
betalen. Gezien de schendingen van jus-cogens normen door de Russische Federatie en haar weigering
om het arbitrale vonnis na te leven, moet het beroep op immuniteit van executie worden geweigerd,
ook al zou niet zijn voldaan aan de vereisten van art. 19 aanhef en onder c van het VN-
Immuniteitsverdrag.
4.34 Kortom, het beroep van Gazprom International op immuniteit van executie faalt. Grief V is
ongegrond.
[Page 9]
4.35 De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat ook een afweging van de wederzijdse belangen niet
kan leiden tot opheffing van het gelegde beslag. Het belang van DTEK bij handhaving is naar het
oordeel van de voorzieningenrechter evident: de Russische Federatie komt het arbitrale vonnis niet
vrijwillig na en voorshands is onvoldoende aannemelijk dat er andere vermogensbestanddelen zijn
waarop DTEK zich kan verhalen. Daartegenover staat het belang van Gazprom International om
ongestoord over haar aandelen in Wintershall te kunnen beschikken. Gazprom International heeft
aangevoerd dat het van het grootste belang is dat de voorgenomen verkoop van de aandelen aan een
derde, Mazarine , doorgang kan vinden, onder meer omdat er anders gedwongen ontslagen bij
Wintershall zullen vallen, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat Gazprom International
onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het vanwege de toepasselijke wet- en regelgeving niet
mogelijk is om vervangende zekerheid te stellen.
4.36 Gazprom International voert in haar zesde grief aan dat de belangenafweging in haar voordeel moet
uitpakken. Zij voert aan dat het vanwege de Europese sancties voor haar niet mogelijk is om de
beslagleggers alternatieve zekerheid te bieden. Gazprom International heeft geen toegang tot bancaire
diensten in de Europese Unie, waardoor het niet mogelijk is om bijvoorbeeld de opbrengst van de
verkoop in depot te plaatsen. Mazarine is nog steeds bereid om de transactie uit te voeren wanneer
het beslag wordt opgeheven. Dat de overdracht plaatsvindt, is van belang omdat er dan de
noodzakelijke investeringen in Wintershall kunnen plaatsvinden, wat volgens Gazprom International
cruciaal is voor de Nederlandse energiesector en het behoud van banen bij Wintershall .
4.37 Het hof oordeelt als volgt. Ook als ervan wordt uitgegaan dat Mazarine de aandelen Wintershall zal
kopen wanneer het beslag wordt opgeheven wat DTEK betwist is er onvoldoende aanleiding om het
beslag op grond van een belangenafweging op te heffen. Het hof is met de voorzieningenrechter van
oordeel dat Gazprom International niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen mogelijkheid zou zijn
om alternatieve zekerheid te stellen. Zo zou Mazarine , als het, los van de geldende sanctieregels, al
mogelijk zou zijn de beoogde verkoop en levering te realiseren, de te betalen koopsom ter zekerheid
op een derdengeldrekening van een notaris kunnen storten. De rol van Gazprom International is in dat
geval zodanig beperkt dat niet valt in te zien waarom dat met het oog op de door de Europese Unie
opgelegde sancties niet mogelijk zou zijn, terwijl het wel mogelijk zou zijn om de verkooptransactie te
effectueren door betaling aan Gazprom International .
4.38 Zoals DTEK terecht opmerkt, zou het opheffen van het beslag tot gevolg hebben dat zij onmiskenbaar
een ernstig (restitutie)risico loopt, met name als de aandelen na opheffing daadwerkelijk verkocht
worden. Daar weegt niet tegenop dat, zoals Gazprom International bij pleidooi in hoger beroep
betoogt, de Russische overheid zou besluiten om geen licentie voor de verkoop van de aandelen
Wintershall te verlenen indien de verkoopprijs op enige wijze als zekerheid voor het Oekraïense DTEK
wordt aangewend. Sterker nog, deze omstandigheid onderstreept het belang van DTEK bij het
handhaven van het door haar gelegde beslag. Grief VI is dus ongegrond.
4.39 De conclusie is dat het hoger beroep van Gazprom International niet slaagt. Daarom zal het hof het
vonnis bekrachtigen. Het hof zal Gazprom International als de in het ongelijk gestelde partij
veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. Deze kosten worden begroot op 827,- aan
griffierecht, 2.580,- (2 punten tarief II) aan salaris advocaat en 189,- aan nakosten. In totaal komt dat
uit op 3.596,-.
Het hof:
[Page 10]
Gazprom International deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;
Dit arrest is gewezen door mrs. C.A. Joustra, H.J.M. Burg en R.M. Hermans en in het openbaar
uitgesproken op 24 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
1 Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en
buitengerechtelijke stukken in burgerlijke- en handelszaken, 15 november 1965, Trb. 1966, 91.
2 Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5, en 6 Wijziging Rv, Wet RO en Fw 1992, p. 91.
3 Verdrag van de Verenigde Naties inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen
van 16 december 2004, Trb. 2010, 272.