This HTML version is machine-generated. Always consult the original document.Original document (PDF), opens in new tab

[Page 1]

ECLI:NL:HR:2020:1511
InstantieHoge Raad
Datum uitspraak25-09-2020
Datum publicatie25-09-2020
Zaaknummer20/01892
Formele relatiesConclusie: ECLI:NL:PHR:2020:796, Gevolgd
RechtsgebiedenCiviel recht
Bijzondere kenmerkenCassatie
InhoudsindicatieArbitrage. Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis. Art. 1066 (oud) Rv.
Bevoegde rechter m.b.t. verzoek tot schorsing arbitraal vonnis, resp. tot
zekerheidsstelling, hangende cassatieberoep.
VindplaatsenRechtspraak.nl
NJB 2020/2312
NJ 2020/360
RvdW 2020/1024

Uitspraak


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

CIVIELE KAMER

Nummer 20/01892
Datum 25 september 2020

BESCHIKKING

In de zaak van

DE RUSSISCHE FEDERATIE,
zetelende te Moskou, Rusland,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de Russische Federatie,
advocaten: R.S. Meijer en R.R. Verkerk,

tegen

1. HULLEY ENTERPRISES LIMITED,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,

[Page 2]

2. VETERAN PETROLEUM LIMITED,
gevestigd te Nicosia, Cyprus,

3. YUKOS UNIVERSAL LIMITED,
gevestigd te Douglas, Isle of Man,

VERWEERSTERS in cassatie,
hierna: HVY en afzonderlijk ook Hulley, VPL en YUL.
advocaten: T. Cohen Jehoram, J. de Bie Leuveling Tjeenk en B.M.H. Fleuren.

1. Procesverloop

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaken C/09/477160 HA ZA 15-1, C/09/477162 HA ZA 15-2 en C/09/481619
HA ZA 15-112 van de rechtbank Den Haag van 20 april 2016;
b. de arresten in de zaak 200.197.079/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 september

2018, 18 december 2018 en 18 februari 2020.

De Russische Federatie heeft cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het hof van 25
september 2018 en 18 februari 2020. Voorts heeft de Russische Federatie op de voet van art. 1066 Rv
een verzoekschrift bij de Hoge Raad ingediend strekkende onder meer tot schorsing en voorlopige
schorsing van de tenuitvoerlegging van de arbitrale beslissingen. HVY heeft tegen dat verzoek een
verweerschrift ingediend en daarin geconcludeerd dat de Hoge Raad onbevoegd is kennis te nemen
van de verzoeken van de Russische Federatie, althans dat de Russische Federatie niet-ontvankelijk is
in haar verzoeken. De Russische Federatie heeft in het bevoegdheidsincident verweer gevoerd. HVY
heeft de zaak schriftelijk bepleit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt ertoe dat de Hoge Raad zich bevoegd zal
verklaren kennis te nemen van het verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de
onderhavige arbitrale beslissingen, alsmede tot het verzoek tot voorlopige schorsing van de
tenuitvoerlegging van de onderhavige arbitrale beslissingen.

De advocaat van HVY heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten en feiten

2.1 Deze uitspraak betreft de vraag of de Hoge Raad bevoegd is kennis te nemen van een op art.
1066 lid 2 (oud) Rv gegrond verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal
vonnis, welk verzoek is ingediend hangende cassatieberoep in een geding tot vernietiging van dat
arbitrale vonnis.

2.2 De Hoge Raad gaat uit van de volgende feiten.

(i) HVY zijn, althans waren, aandeelhouder in Yukos Oil Company (hierna: Yukos).

(ii) In 2004 hebben VPL, YUL en Hulley ieder afzonderlijk een arbitrageprocedure aanhangig
gemaakt tegen de Russische Federatie. De plaats van arbitrage was Den Haag. HVY hebben in die
arbitrageprocedure – kort gezegd - gesteld dat de Russische Federatie hun investeringen in Yukos
heeft onteigend en heeft nagelaten deze investeringen te beschermen, en gevorderd dat de
Russische Federatie veroordeeld wordt tot betaling van schadevergoeding.

(iii) Na drie afzonderlijke Interim Awards heeft het scheidsgerecht in drie afzonderlijke Final Awards
(van 18 juli 2014) de Russische Federatie onder meer veroordeeld om een schadevergoeding te

[Page 3]

betalen van USD 8.203.032.751,-- aan VPL, van USD 1.846.000.687,-- aan YUL en van USD
39.971.834.360,-- aan Hulley. De Interim Awards en de Final Awards worden hierna gezamenlijk
aangeduid als de Yukos Awards.

(iv) De Russische Federatie heeft op de voet van art. 1064 lid 2 (oud) Rv bij de rechtbank
vernietiging gevorderd van de Yukos Awards. De rechtbank heeft de Yukos Awards vernietigd
wegens het ontbreken van een geldige arbitrageovereenkomst.1 Het hof heeft het vonnis van de
rechtbank vernietigd en de vordering van de Russische Federatie tot vernietiging van de Yukos
Awards afgewezen.2 De Russische Federatie heeft cassatieberoep ingesteld tegen de arresten
van het hof.3 Op dit beroep is nog niet beslist.

2.3 De Russische Federatie heeft – hangende het hiervoor in 2.2 onder (iv) vermelde cassatieberoep –
bij de Hoge Raad op de voet van art. 1066 (oud) Rv een verzoekschrift ingediend. De Russische
Federatie verzoekt de Hoge Raad in dat verzoekschrift, kort gezegd:

primair om (i) HVY te bevelen alle lopende en toekomstige tenuitvoerleggingsmaatregelen met
betrekking tot de Yukos Awards te schorsen totdat de Hoge Raad een beslissing zal hebben
gegeven op het schorsingsverzoek op de voet van art. 1066 (oud) Rv (tenzij HVY zich tot een
dergelijke voorlopige schorsing zullen hebben verbonden), en (ii) de tenuitvoerlegging van de
Yukos Awards te schorsen totdat over de vordering tot vernietiging onherroepelijk is beslist; en
subsidiair om, indien het schorsingsverzoek mocht worden afgewezen, HVY te bevelen op grond
van art. 1066 lid 5 (oud) Rv zekerheid te stellen.

2.4 HVY hebben in reactie hierop aangevoerd dat de Hoge Raad niet bevoegd is kennis te nemen van
de op art. 1066 lid 2 en lid 5 (oud) Rv gegronde verzoeken van de Russische Federatie.

3 Bevoegdheid van de Hoge Raad

3.1 Op deze procedure is het Vierde Boek ('Arbitrage') van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering van toepassing, zoals dat gold tot 1 januari 2015.4 Het destijds geldende art.
1066 (oud) Rv luidde als volgt:

  1. De vordering tot vernietiging schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis niet.
  2. De rechter die omtrent de vernietiging oordeelt, kan echter, indien daartoe gronden zijn, op
    verzoek van de meest gerede partij, de tenuitvoerlegging schorsen totdat over de vordering tot
    vernietiging onherroepelijk is beslist.
  3. Het verzoek tot schorsing wordt door de griffier van de rechtbank ten spoedigste aan de
    wederpartij in afschrift toegezonden.
  4. De rechter beslist niet op het verzoek dan nadat de wederpartij in de gelegenheid is gesteld,
    zich daarover uit te laten.
  5. Bij toewijzing van het verzoek kan de rechter bepalen dat door de verzoeker zekerheid wordt
    gesteld. Bij afwijzing van het verzoek kan de rechter bepalen dat de wederpartij zekerheid stelt.
  6. Ingeval van schorsing van de tenuitvoerlegging kan de meest gerede partij de rechter
    verzoeken, de schorsing op te heffen. Het derde tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige
    toepassing.

3.2 Art. 1066 lid 2 (oud) Rv kent de bevoegdheid tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een
arbitraal vonnis, hangende een vernietigingsprocedure, toe aan "de rechter die omtrent de
vernietiging oordeelt". Dat geldt - in het verlengde daarvan – ook voor de bevoegdheid kennis te
nemen van een op art. 1066 lid 5 (oud) Rv gegrond verzoek tot het doen stellen van zekerheid. De
vraag die thans aan de orde is, is of de Hoge Raad, hangende een cassatieprocedure over de
vernietiging van een arbitraal vonnis, moet worden aangemerkt als 'de rechter die omtrent de

[Page 4]

vernietiging oordeelt' als bedoeld in art. 1066 lid 2 (oud) Rv.

3.3.1 Uit de tekst van art. 1066 lid 2 (oud) Rv volgt niet dat de Hoge Raad, hangende het
cassatieberoep, niet moet worden aangemerkt als 'de rechter die omtrent de vernietiging
oordeelt'. Uit de bewoordingen blijkt juist veeleer het tegendeel, nu art. 1066 lid 2 (oud) Rv
spreekt van 'de rechter' en deze term in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de
regel wordt gebezigd als algemene aanduiding voor rechterlijke instanties. De formulering
'die omtrent de vernietiging oordeelt' omvat mede de taak van de Hoge Raad om te oordelen
`omtrent' een gevorderde vernietiging waarover het hof uitspraak heeft gedaan.

De parlementaire geschiedenis behelst geen aanwijzing dat het de bedoeling van de
wetgever is geweest de Hoge Raad uit te sluiten van de bevoegdheid om kennis te nemen
van een op art. 1066 lid 2 (oud) Rv gegrond verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging
van een arbitraal vonnis dat voorwerp is van een vernietigingsprocedure die in cassatie
aanhangig is.

3.3.2 Dat de Hoge Raad niet bevoegd zou zijn kennis te nemen van een op art. 1066 lid 2 (oud) Rv
gegrond verzoek, volgt ook niet uit de omstandigheid dat in art. 1066 lid 3 (oud) Rv is
bepaald dat het verzoek tot schorsing 'door de griffier van de rechtbank' ten spoedigste aan
de wederpartij in afschrift wordt toegezonden. Uit de tekst van art. 1066 lid 3 (oud) Rv en de
parlementaire geschiedenis bij die bepaling, blijkt niet dat met deze bepaling is bedoeld de
bevoegdheidsregeling van art. 1066 lid 2 (oud) Rv nader te omlijnen of te beperken. Met art.
1066 lid 3 (oud) Rv is slechts beoogd een regeling te geven voor de behandeling van een op
art. 1066 lid 2 (oud) Rv gegrond verzoek.5

3.3.3 Het voorgaande betekent dat art. 1066 (oud) Rv aldus moet worden uitgelegd dat, indien in
een procedure over vernietiging van een arbitraal vonnis cassatieberoep aanhangig is, de
Hoge Raad moet worden aangemerkt als 'de rechter die omtrent de vernietiging oordeelt',
als bedoeld in art. 1066 lid 2 (oud) Rv. Al het vorenstaande geldt evenzeer voor het sinds 1
januari 2015 geldende recht, met dien verstande dat de bevoegde rechter in de
vernietigingsprocedure in eerste aanleg het gerechtshof is.

3.4 Anders dan HVY betogen, wordt dit alles niet anders door de omstandigheid dat ook in kort geding
bij de voorzieningenrechter schorsing van de tenuitvoerlegging van een arbitraal vonnis kan
worden gevorderd. De parlementaire geschiedenis van art. 1066 (oud en huidig) Rv biedt geen
aanknopingspunt voor de opvatting dat, hangende een cassatieberoep, de weg van het kort
geding in de plaats zou komen van de mogelijkheid om aan de in art. 1066 Rv vermelde rechter
een op art. 1066 lid 2 (oud) Rv gegrond verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het
arbitrale vonnis te richten.

3.5 Slotsom is dat de Hoge Raad bevoegd is kennis te nemen van het op art. 1066 lid 2 (oud) Rv
gegronde verzoek van de Russische Federatie tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de Final
Awards, en van het op art. 1066 lid 5 (oud) Rv gegronde subsidiaire verzoek tot het stellen van
zekerheid.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

in het bevoegdheidsincident:
verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de op art. 1066 lid 2 en lid 5 (oud) Rv gegronde
verzoeken van de Russische Federatie;
in het onder 2.3 vermelde verzoek:

[Page 5]

Deze beschikking is gegeven door de vicepresident E.J. Numann als voorzitter, vicepresident G. de
Groot en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, V. van den Brink en H.M. Wattendorff, en in het
openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op 25 september 2020.


1 Rechtbank Den Haag 20 april 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:4229.

2 Gerechtshof Den Haag 25 september 2018, ECLI:NL:GHDHA: 2018:2476 en Gerechtshof Den Haag 18
februari 2020, ECLI:NL: GHDHA:2020:234.

3 Die cassatieprocedure is bij de Hoge Raad aanhangig onder zaaknummer 20/01595.

4 Art. IV lid 4 in verbinding met art. IV lid 2 van de Wet van 2 juni 2014 tot wijziging van Boek 3, Boek 6
en Boek 10 van Burgerlijk Wetboek en het Vierde Boek van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering in verband met de modernisering van het Arbitragerecht (Stb. 2014, 200), in werking
getreden op 1 januari 2015 (Stb. 2014, 254).

5 Kamerstukken II 1983/84, 18464, nr. 3, p. 30.